ECLI:NL:GHAMS:2021:2578
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aangepaste omgangsregeling tussen vader en minderjarige na overlijden moeder
Na het overlijden van de moeder in 2017 verblijft de minderjarige sinds die tijd bij zijn pleegouders, oom en tante van moederszijde. De vader oefende aanvankelijk het gezag uit, maar dit werd in 2019 beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) werd tot voogd benoemd. Het hof stelde in september 2019 een omgangsregeling vast waarbij de vader wekelijks contact had met de minderjarige.
De GI verzocht later de omgangsregeling te wijzigen vanwege veranderde omstandigheden, waaronder het beëindigen van mediation en hulpverlening door de vader, agressief gedrag van de vader en de negatieve invloed daarvan op het kind. De omgang werd teruggebracht tot één keer per vier weken onder voorwaarden, waaronder begeleiding en nuchterheid van de vader.
De vader ging in hoger beroep tegen deze wijziging, stellende dat het contact goed verliep en onbegeleid contact mogelijk moest zijn. Het hof oordeelde echter dat de gewijzigde omstandigheden en het belang van het kind een beperking rechtvaardigen. De omgangsregeling wordt bekrachtigd met de nadruk op begeleiding, veiligheid en het respecteren van de grenzen van het kind.
Het hof benadrukte dat de vader moet accepteren dat de minderjarige bij de pleegouders woont en moet samenwerken met de GI om het vertrouwen te herstellen. Contact buiten de omgangsregeling, zoals via WhatsApp of sms, blijft uitgesloten om het herstel van de relatie niet te verstoren.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de aangepaste omgangsregeling waarbij de vader eenmaal per vier weken onder begeleiding contact heeft met de minderjarige.