ECLI:NL:GHAMS:2021:259

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2021
Publicatiedatum
2 februari 2021
Zaaknummer
23-002348-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WVW 1994Art. 176 WVW 1994Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens verlaten plaats ongeval met geldboete en schadevergoeding

Op 10 maart 2018 heeft de verdachte de plaats van een ongeval verlaten in strijd met artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De politierechter in Amsterdam veroordeelde de verdachte hiervoor, waarna hoger beroep werd ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. De eerder uitgevaardigde strafbeschikking werd vernietigd en de verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €500, te voldoen in tien termijnen van €50 per maand, met een vervangende hechtenis van tien dagen bij niet-betaling.

Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot materiële schadevergoeding van €5.217,71 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 maart 2018 tot de dag van voldoening. De verdachte werd verplicht deze schadevergoeding aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer. De duur van gijzeling werd vastgesteld op maximaal zestig dagen, waarbij betaling van een van de verplichtingen de andere verplichting doet vervallen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €500 en toewijzing van materiële schadevergoeding van €5.217,71 met wettelijke rente.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer eerste aanleg : 13-167810-18
parketnummer hoger beroep : 23-002348-19
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 27 januari 2021 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2019 in de zaak tegen de verdachte:
naam:
[verdachte]
voornamen: [verdachte]
geboren: op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats]
adres: [adres]

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 23, 24, 24a, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
gepleegd
op 10 maart 2018 te Amsterdam.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 26 september 2018 onder CJIB nummer [nummer].
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de
geldboetemag worden voldaan in
10 (tien) termijnenvan
1 maand, elke termijn groot
€ 50,00 (vijftig euro).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.217,71 (vijfduizend tweehonderdzeventien euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.217,71 (vijfduizend tweehonderdzeventien euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 maart 2018.
Gewezen door mr. P.C. Kortenhorst, in bijzijn van mr. E.J. de Vries en mr. R.L. Vermeulen, griffiers.
mr. P.C. Kortenhorst