Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellante sub 2] ,
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat de schadestaatprocedure na ontbinding van een huurovereenkomst centraal. De stichting vordert schadevergoeding van appellanten wegens de ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee samenhangende schade, waaronder de kosten van overname van inventaris. Het hof bevestigt dat beide partijen tekort zijn geschoten in hun kernverplichtingen uit de huurovereenkomst, namelijk het niet (volledig) ter beschikking stellen van het gehuurde door appellanten en het niet betalen van huurpenningen door de stichting.
Het hof overweegt dat deze wederzijdse tekortkomingen hebben geleid tot het voortijdig eindigen van de huurovereenkomst en dat de schade daarom gelijkelijk moet worden verdeeld. De schadevergoeding wordt daarom gehalveerd. Daarnaast wijst het hof de vordering van de stichting toe tot betaling van de helft van de vastgestelde schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding in de schadestaatprocedure, en buitengerechtelijke incassokosten.
De grieven van appellanten met betrekking tot de waarde van de inventaris en de verkoop van boten worden verworpen wegens onvoldoende bewijs. Ook wordt de proceskostenveroordeling van de eerste aanleg gecompenseerd, zodat partijen elk hun eigen kosten dragen. Het arrest wordt uitgesproken door het hof Amsterdam op 31 augustus 2021.
Uitkomst: Appellanten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de helft van de schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten, met compensatie van proceskosten.