Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Dit betekent dat het COBEX slechts kan beoordelen of bij de beoordeling aan de formele voorschriften is voldaan en of de beoordeling op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In de studiehandleiding op pagina drie staat dat het programmaonderdeel is behaald als de normering van alle beroepsproducten gemiddeld minimaal een 5,5 is. Het College is van oordeel dat hier uit de verplichting van verweerster [HvA; hof] voortvloeit om alle drie de beroepsproducten met een cijfer te beoordelen. Het College zal het beroep dan ook gegrond verklaren.”
“(…) De examencommissie zal een assessment organiseren over je stage bij Zwitserleven. Dit assessment wordt afgenomen door 2 examinatoren die niet bij de zaak betrokken zijn. Na het assessment wordt het eindcijfer bepaald conform de stagehandleiding van september 2015. (…)”
3.Beoordeling
grieven 1 tot en met4 slagen niet.
grieven 10 tot en met 12aan dat geen sprake is van causaal verband tussen de tekortkoming en de gestelde studievertragingsschade en dat in plaats van zeven maanden studievertraging, uit moet worden gegaan van vier, dan wel vijf maanden vertraging. Allereerst dienen de twee maanden ‘in afwachting van het assessment’ niet te worden meegeteld omdat dit assessment niet nodig was (aangezien [geïntimeerde] al op 22 december 2017 had voldaan aan alle studieverplichtingen), en het (relatief late) tijdstip waarop het assessment werd afgenomen, werd veroorzaakt doordat [geïntimeerde] niet eerder beschikbaar was, aldus HvA.
grief 13betoogt HvA dat [geïntimeerde] het door haar gevorderde instellingscollegegeld van € 7.995,-, althans een gedeelte daarvan, verschuldigd is omdat hij zich per 1 januari 2018 had laten uitschrijven terwijl hij na 1 januari 2018 nog enige onderwijsactiviteit had genoten, te weten het eerder genoemde assessment. In eerste aanleg voerde HvA ook nog aan dat [geïntimeerde] een minor in het studiejaar 2018/2019 had gevolgd. Nadat [geïntimeerde] in eerste aanleg gemotiveerd had betwist enig onderwijs in het studiejaar 2018/2019 te hebben gevolgd (en dus ook geen minor) is HvA daarop niet meer teruggekomen. Ook had [geïntimeerde] al in eerste aanleg aangevoerd dat hij op 12 april 2018 had verzocht per 30 april 2018 te worden uitgeschreven, en dat HvA dit verzoek eenzijdig heeft gewijzigd in een uitschrijving per 31 december 2017. [geïntimeerde] voerde daarmee aan dat hij juist had gewacht met uitschrijving tot na het ondergaan van het assessment, en ook nog eens vroeg om een uitschrijving per toekomstige datum. Het hof acht het onbegrijpelijk dat HvA hierop ook in hoger beroep niet ingaat, maar juist stelt dat [geïntimeerde] zich ‘al tegen 1 januari 2018’ had laten uitschrijven. Dat laatste is, zoals duidelijk mag zijn, niet het geval. Wel is juist dat [geïntimeerde] na 1 januari 2018 nog een onderwijsactiviteit heeft genoten, maar dat was, zoals de kantonrechter terecht overwoog, het gevolg van de toerekenbare tekortkoming van HvA. Grief 13 faalt.