Uitspraak
1.[gerechtsdeurwaarder sub 1] ,
2. [gerechtsdeurwaarder sub 2 ] ,
3. [gerechtsdeurwaarder sub 3] ,
4. [gerechtsdeurwwarder sub 4] ,
5. [gerechtsdeurwaarder sub 5] ,
6. [gerechtsdeurwaarder sub 6] ,
7. [gerechtsdeurwaarder sub 7] ,
8. [gerechtsdeurwaarder sub 8] ,
9. [gerechtsdeurwaarder sub 9] ,
10. [gerechtsdeurwaarder sub 10] ,
11. [gerechtsdeurwaarder sub 11] ,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Standpunt van het BFT
5.Beoordeling
tijdensde looptijd van de overeenkomst met [Y] . Dat was immers in dit specifieke geval het meest ongunstige scenario. In plaats daarvan hebben de gerechtsdeurwaarders de omvang van de bewaarplicht ingevuld volgens de BLOS-regels, die voorschrijven dat de bewaarplicht wordt berekend met inachtneming van het uitgangspunt dat de gerechtsdeurwaarder het contract opzegt. Dat is meestal ongunstiger dan wanneer de zaken blijven lopen, maar in dit geval niet. Het gerechtsdeurwaarderskantoor werkte met [Y] op ‘no cure, no pay’ basis. Gedurende de looptijd van het contract ontving het gerechtsdeurwaarderskantoor daarom pas na een (positieve) afsluiting van het dossier de gemaakte kosten terug. Door de afspraak met [Y] dat de gerechtsdeurwaarders bij opzegging van de overeenkomst alle gemaakte kosten zouden mogen verrekenen, zou in die situatie het af te dragen bedrag lager zijn dan tijdens de looptijd van de overeenkomst. Daarom is de situatie waarbij de gerechtsdeurwaarder opzegt in dit geval juist niet de meest ongunstige. Dit leidt tot een uitkomst die niet in overeenstemming is met de beschermingsgedachte van artikel 19 Gdw Pro. Ter zitting hebben de gerechtsdeurwaarders erkend dat bij een reguliere afloop van het contract, dus als de termijn zou verstrijken zonder opzegging door een van beide partijen, de gemaakte kosten niet zouden worden ontvangen van het gerechtsdeurwaarderskantoor.
thansniet tuchtrechtelijk laakbaar. De BLOS-regels zijn opgesteld door een commissie die in het leven is geroepen door de KBvG en vervolgens opgenomen in de Administratieverordening gerechtsdeurwaarders. Daarin wordt, voor wat betreft de uitleg van de verordening, verwezen naar de rapporten van de commissie BLOS. Door aansluiting te zoeken bij de BLOS-regelgeving hebben de gerechtsdeurwaarders met hun wijze van berekening van de bewaarplicht gehandeld in overeenstemming met de kennelijke rechtsopvatting van de eigen beroepsgroep. Deze rechtsopvatting is niet eerder dan bij deze beslissing door de tucht- of burgerlijke rechter als onjuist van de hand gewezen. Het klachtonderdeel is daarom in zoverre ongegrond.