AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor opzettelijke invoer van 676,80 gram cocaïne te Schiphol
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 27 september 2021 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Noord-Holland van 29 juni 2021. De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 13 juni 2021 te Schiphol een hoeveelheid van 676,80 gram cocaïne binnen Nederland heeft gebracht.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit feit heeft begaan en sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde werd bevestigd, waarbij het handelen van de verdachte kwalificeert als opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onderPro A van de Opiumwet.
De opgelegde straf van zes maanden gevangenisstraf door de politierechter werd door het hof bekrachtigd, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, de hoeveelheid cocaïne bestemd voor handel, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof vond geen aanleiding af te wijken van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
De straf zal volledig worden uitgevoerd binnen de penitentiaire inrichting, met mogelijke toepassing van penitentiaire programma's of voorwaardelijke invrijheidsstelling conform wettelijke regelingen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk invoeren van 676,80 gram cocaïne.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001917-21
datum uitspraak: 27 september 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-155005-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1989,
thans gedetineerd in PI Rijnmond – Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2021.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 juni 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 juni 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onderPro A van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat de hoogzwangere vriendin van de verdachte nu alleen voor hun twee jonge kinderen moet zorgen en dat de verdachte, die vanwege het Covid-19-virus zijn werk is kwijtgeraakt, uit geldnood heeft gehandeld.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk invoeren van 676,80 gram van een materiaal bevattende cocaïne. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding van harddrugs en de handel daarin gaan gepaard met allerlei soorten van gebruikerscriminaliteit en vormen – gelet op de schadelijkheid voor de gezondheid van personen – een bedreiging voor de volksgezondheid.
Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden uitgesproken. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor de invoer van hoeveelheden harddrugs van 500 tot 1.000 gram wordt daarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes tot acht maanden genoemd. De door de politierechter opgelegde straf loopt daarmee in de pas. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting naar voren gebracht door de verdachte en zijn raadsvrouw, geen aanleiding om af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten. Ook overigens ziet het hof geen redenen om een andere straf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan.
Het hof acht, alles afwegende, een straf van na te melden duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 PenitentiairePro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 WetboekPro van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 6 (zes) maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. M. Senden en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 september 2021.
Mrs. M. Senden, M.R. Cox en M. Boelens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.