De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor diefstal in vereniging van een Ducati motorfiets die op 26 april 2020 in Amsterdam werd gestolen. Uit camerabeelden bleek dat drie mannen de motorfiets in een witte bestelbus laadden, die later door de verdachte werd bestuurd. Kort na de diefstal werd de verdachte staande gehouden met de motorfiets in het laadgedeelte van de bus.
De verdachte gaf geen aannemelijke verklaring voor zijn aanwezigheid in de bus met het gestolen voertuig en de aangetroffen gereedschappen, waaronder een slijptol en werkhandschoenen. Zijn verklaringen werden door het hof als ongeloofwaardig verworpen, mede gelet op het tijdsverloop en de omstandigheden van zijn aanhouding.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis van vrijspraak en verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de motorfiets heeft weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. Gelet op de ernst van het feit, de georganiseerde wijze van diefstal en het feit dat de verdachte een first offender is, legde het hof een taakstraf van 120 uur op, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof achtte de opgelegde straf passend en geboden gezien de omstandigheden en de aard van het delict.