ECLI:NL:GHAMS:2021:2916

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 oktober 2021
Publicatiedatum
11 oktober 2021
Zaaknummer
K21/230135
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 261 SrArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beklag tegen sepot wegens belediging in publieke discussie op Twitter

Klager deed aangifte van belediging en smaad tegen beklaagde vanwege een tweet waarin beklaagde klager beschuldigde van racisme. Dit volgde op een publieke discussie over de mastertitel van een derde partij, waarbij klager onderzoek deed naar de authenticiteit van die titel en dit via sociale media besprak.

De officier van justitie besloot tot sepot, waarna klager beklag indiende. Het hof heeft het beklag behandeld en klager gehoord, terwijl beklaagde niet verscheen. De advocaat-generaal adviseerde het beklag af te wijzen.

Het hof overwoog dat hoewel de uitlatingen beledigend kunnen zijn, zij binnen het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting vallen zoals beschermd door artikel 10 EVRM Pro. De uitingen waren onderdeel van een publiek debat en niet onnodig grievend. Ook het delict smaad(schrift) kon niet worden bewezen vanwege het ontbreken van een concreet verwijt.

Daarom acht het hof strafrechtelijke vervolging niet kansrijk en wijst het het beklag af, waarmee de beslissing van de officier van justitie tot sepot wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het beklag af en bevestigt het sepot van de strafvervolging wegens belediging en smaad.

Uitspraak

afdeling strafrecht
beklagkamer
rekestnummer K21/230135
Beschikking op het beklag van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
klager.

1.Het beklag

Het hof heeft op 29 maart 2021 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [
beklaagde] (hierna: beklaagde) ter zake van belediging dan wel smaad(schrift).

2.Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 21 juli 2021 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3.De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het verslag van de advocaat-generaal;
- het dossier van de politie.

4.De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 16 september 2021 het beklag toe te lichten. Klager is, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde] in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd. Beiden hebben het woord gevoerd overeenkomstig de inhoud van de door hen aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijke aantekeningen.
Voorts heeft het hof beklaagde in de gelegenheid gesteld op diezelfde dag te worden gehoord. Beklaagde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5.De beoordeling van het beklag

Uit het dossier komt het volgende naar voren
Betrokkenen – klager, beklaagde en [betrokkene] – zijn allen publicist.
Klager heeft aangifte gedaan van belediging dan wel smaad(schrift) door beklaagde op
22 juli 2020 te Amsterdam. Volgens de aangifte plaatste beklaagde, NRC-columnist en voormalig Tweede Kamerlid, de volgende tekst op Twitter:
“Wow. Schaam je diep @[twitter handle klager]. Jouw in gitzwarte afgunst gegoten racisme zal @[twitter handle betrokkene] nooit van zijn stuk brengen.”
Hieraan is het volgende vooraf gegaan.
In verband met NRC-columns van publicist [betrokkene], spelfouten in een tweet van [betrokkene] en de omstandigheid dat de master op diens Linkedin ([masterstudie I]) niet aangeboden wordt in [plaatsnaam] (alwaar de titel behaald zou zijn) startte klager, naar eigen zeggen als publicist, een onderzoek ter verificatie van de mastertitel van [betrokkene].
Per e-mail vroeg klager aan [betrokkene] toestemming te geven voor verificatie bij de universiteit van [plaatsnaam].
[Betrokkene] plaatste deze e-mail op Twitter met de tekst: “Meneer twijfelt aan het feit dat ik wel een MA heb en wil graag dat ik mijn Alma mata benader, want hij heeft ‘simpelweg’ zijn twijfels. Dit soort onzin maak ik constant mee na de publicatie van scherpe stukken. Maar ik ga niet meer zwijgen, dus zie zelf en huiver!”
Beklaagde twitterde hierop de tekst: “Die @[twitter handle klager] is een beetje jaloers. Keep it up @[twitter handle betrokkene]. Laat je niet van de wijs brengen. #[hashtag betrokkene]”
Klager vervolgde zijn onderzoek en stuurde de begeleider van [betrokkene] een e-mail met de vraag het behalen van de MSc door [betrokkene] te bevestigen. Deze begeleider bevestigde aan klager dat [betrokkene] in 2019 een Master in [masterstudie II] heeft behaald en een voortreffelijk student was. Klager stuurde deze e-mail door naar [betrokkene] die hem vervolgens eveneens op Twitter plaatste met de tekst: “Onverbeterlijk. Meneertje @[twitter handle klager] ging even voor de zekerheid bij mijn docenten dubbel checken. “Hij was een voortreffelijk student” aldus de geniale [begeleider], mijn scriptiebegeleider.”
Beklaagde twitterde daarop de tekst: “Wow. Schaam je diep @[twitter handle klager]. Jouw in gitzwarte afgunst gegoten racisme zal @[twitter handle betrokkene] nooit van zijn stuk brengen.”
Klager vindt deze laatste uiting van beklaagde een onnodig grievende grove belediging. Een beschuldiging van racisme is uitermate kwetsend nu hij zich daaraan niet schuldig maakt. Hij wijst erop dat hij twee keer eerder een universitaire titel van witte mannen checkte waarvan er één verzonnen bleek te zijn.
Klager kan zich niet verenigen met de beslissing van de officier van justitie de zaak te seponeren.
Beoordelingskader
Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.
De overwegingen van het hof
Het hof overweegt allereerst dat de woorden van beklaagde door de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd op zichzelf als beledigend i.d.z.v. artikel 266, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zouden kunnen worden aangemerkt.
Voorts overweegt het hof dat in ogenschouw moet worden genomen dat het beklag raakt aan het in artikel 10 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting. Bij de vraag waar de grens van die vrijheid ligt, dient het toetsingskader gevonden te worden in het Nederlandse recht, waarbij de uitleg van de relevante bepalingen mede gezien moet worden in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM). Een voorwaarde voor inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting is blijkens vaste rechtspraak van het EHRM dat de inperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. Eveneens volgens vaste rechtspraak van het EHRM kan die noodzaak niet snel worden aangenomen indien de uitingen in de media worden gedaan en als bijdrage aan het publieke debat kunnen worden beschouwd. Voorts geldt dat er in een democratie in beginsel ook ruimte moet zijn voor uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en dat in een democratie uit het kwetsende karakter van bepaalde uitlatingen niet te snel een rechtvaardiging voor een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting moet worden afgeleid.
Gelet op dit toetsingskader is een strafrechtelijke vervolging van beklaagde niet kansrijk te achten. Beklaagde heeft meerdere malen gereageerd op het door [betrokkene] op Twitter publiekelijk gemaakte berichtenverkeer dat plaatsvond tussen klager en [betrokkene] over het verifiëren van diens mastertitel bij de universiteit van [plaatsnaam].
Uit de berichten van [betrokkene] is af te leiden dat hij de acties van klager als te vasthoudend ervaart. De reacties van beklaagde kunnen in de context van dit publieke debat worden geplaatst en staan daarmee in direct verband. Niet gezegd kan worden dat de laatste uiting van beklaagde in die context disproportioneel is en daarom onnodig grievend.
Dit brengt het hof tot het oordeel dat niet is te verwachten dat de strafrechter tot een bewezenverklaring van belediging komt.
Ditzelfde geldt voor het delict van smaad(schrift).
Het in artikel 261 Sr Pro genoemde bestanddeel “telastlegging van een bepaald feit “ vereist aanwijzing van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging. In dit geval wordt het gedrag van klager door beklaagde in algemene termen geduid en niet toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.
Het hof zal daarom als volgt beslissen.

6.De beslissing

Het hof wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op
7 oktober 2021 door mrs. P.F.E. Geerlings, voorzitter, J.D.L. Nuis en M. Gonggrijp-van Mourik, raadsheren, in tegenwoordigheid van J.K. Krijnen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.