Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
;
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, een tweeling geboren in Canada, bij hun vader. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit. Na eerdere ondertoezichtstellingen en hulpverleningstrajecten is de machtiging tot uithuisplaatsing verleend vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder.
De moeder betwist de verlenging en stelt dat de uithuisplaatsing onterecht is, verwijzend naar onvoldoende inspanningen om de kinderen in de week-op-week-af regeling rust te bieden en het ontbreken van een duidelijk plan van aanpak. Zij voert ook aan dat haar rechten en die van de kinderen, waaronder het recht op hoor en wederhoor en het discriminatieverbod, zijn geschonden.
De gecertificeerde instelling, de vader en de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunen de verlenging, onderbouwd met rapportages van hulpverleningsinstanties die wijzen op loyaliteitsproblematiek, posttraumatische stresssymptomen bij een van de kinderen en het belang van rust in de thuissituatie voor een effectieve behandeling.
Het hof oordeelt dat de wettelijke gronden voor verlenging aanwezig zijn en dat beëindiging van de machtiging op dit moment onwenselijk is vanwege het risico op onrust en het ondermijnen van het hulpverleningstraject. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt dan ook bekrachtigd, waarbij geen schending van EVRM-artikelen of het discriminatieverbod is vastgesteld.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader.