In deze zaak heeft de verzoeker, betrokken in een civiele spoedappel, een wrakingsverzoek ingediend tegen drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid en onvoldoende spreektijd tijdens de mondelinge behandeling van 22 december 2020.
De wrakingskamer heeft de gronden van verzoeker onderzocht, waaronder de vermeende te grote nadruk op een datum van 3 juni 2020, onvoldoende voorbereiding van het hof en het onvoldoende aan het woord laten van verzoeker. Uit het proces-verbaal en een door verzoeker overgelegd transcript bleek dat verzoeker ruimschoots aan het woord was geweest en dat de vragen van de raadsheren relevant waren voor de beoordeling van het geschil.
De wrakingskamer oordeelde dat geen sprake was van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Ook de stelling dat het hof onvoldoende voorbereid was en grieven van partijen door elkaar haalde, werd verworpen. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen, evenals het verzoek van de raadsheren om een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling te nemen.