ECLI:NL:GHAMS:2021:3157
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beslissing hoger beroep inzake verzoek vaststelling beslagvrije voet ex artikel 475e oud Rv
Verzoekster, woonachtig in Duitsland en ontvanger van een AOW-uitkering, heeft bij de kantonrechter en vervolgens in hoger beroep verzocht om vaststelling van een beslagvrije voet op haar AOW-uitkering waarop sinds september 2018 beslag is gelegd door de Volksbank. Het verzoek is gebaseerd op artikel 475e (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat van toepassing is vanwege het beslag dat voor de wetswijziging is gelegd.
De kantonrechter wees het verzoek af, waarna verzoekster hoger beroep instelde. In hoger beroep heeft verzoekster onvoldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie en niet aangetoond dat zij buiten haar AOW-uitkering onvoldoende middelen van bestaan heeft. Zij overlegde slechts een opgave van wereldinkomen en een rapport van een calculator zonder onderliggende bewijsstukken zoals bankafschriften.
Het hof overwoog dat rekening houden met normbedragen voor ziektekosten en woonlasten niet gerechtvaardigd was zonder bewijs van daadwerkelijke uitgaven. Ook gaf verzoekster geen bewijs van haar burgerlijke staat of woonsituatie. Bovendien erkende haar advocaat dat verzoekster aanspraak heeft op een pensioen dat haar financiële situatie verbetert.
Gelet op deze feiten en het toepasselijke overgangsrecht, concludeerde het hof dat het verzoek niet toewijsbaar is en bekrachtigde het de bestreden beschikking. Verzoekster werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een beslagvrije voet wegens onvoldoende bewijs van onvoldoende middelen van bestaan.