Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Dank dat u mij het woord geeft om namens de verzoekers, [broer A] , [zus C] en [broer B] het woord te voeren. Ik ben [notaris] en notaris te [plaats] . In mijn functie als notaris maak ik vaak mee dat er discussie ontstaat tussen de kinderen over de wijze waarop het vermogen van moeder dient te worden beheerd en over de wijze waarop moeder dient te worden verzorgd. Het is niet de eerste keer dat ik het woord voer in een procedure voor het onder bewind stellen van een ouder door één of meer kinderen. Wel is het de eerste keer dat ik meemaak dat twee van mijn drie opdrachtgevers, te weten [broer A] en [zus C] middels advocaten het aan hun broer, de heer [klager] , geleende geld hebben moeten terugvorderen. In deze procedure zijn mijn opdrachtgevers in het gelijk gesteld en hebben zij beiden hun uitgeleende geld terug ontvangen. Mede om die reden hebben zij aangegeven niet het woord te willen voeren. Uiteraard zijn zij bereid en in staat rechtstreeks antwoord te geven op door u aan hen te stellen vragen. Dit laatste is ook van toepassing op [broer B] . [broer B] heeft geen procedure tegen zijn broer [klager] gevoerd maar heeft in het verleden een aantal aanvaringen gehad met [klager] waardoor ook [broer B] niet het woord wenst te voeren.
3.Standpunt van klager
4.Beoordeling
.De door klager geuite beschuldigingen jegens de notaris zijn niet aangetoond. Uit het betoog van de notaris tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter had klager moeten begrijpen dat de notaris als gemachtigde van zijn broers en zus optrad. Het stond de notaris vrij om als zodanig in die procedure op te treden. Dat de notaris daarbij enige kleuring in zijn betoog heeft aangebracht, is naar het oordeel van de kamer niet klachtwaardig.