ECLI:NL:GHAMS:2021:3229

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 oktober 2021
Publicatiedatum
27 oktober 2021
Zaaknummer
23-001319-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening (EG) nr. 1889/2005Art. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling zonder strafoplegging voor niet voldoen aan aangifteplicht liquide middelen op Schiphol

De verdachte werd ervan beschuldigd op 8 januari 2018 op Schiphol niet te hebben voldaan aan de aangifteplicht voor het vervoeren van liquide middelen van €10.000 of meer, zoals voorgeschreven in artikel 3 van Pro Verordening (EG) nr. 1889/2005. De politierechter had de verdachte schuldig verklaard zonder strafoplegging. In hoger beroep werd de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete, maar de Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof.

Tijdens de hernieuwde behandeling verwierp het hof het verweer van de verdachte dat een deel van het geld vals was en daarom niet meetelde. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte geen volledige of juiste aangifte had gedaan terwijl hij €10.000 aan liquide middelen bij zich had. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten.

Het hof besloot, mede gelet op de beperkte ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, geen straf of maatregel op te leggen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het arrest van het hof van november 2019 kwam te vervallen. De verdachte werd veroordeeld zonder strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor niet voldoen aan aangifteplicht van €10.000 liquide middelen, zonder strafoplegging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001319-21
datum uitspraak: 25 oktober 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 18 mei 2021 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 96207858-18 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
adres: [adres].

Procesgang

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor de schuldvariant van het tenlastegelegde schuldig verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit gerechtshof heeft in hoger beroep bij arrest van 29 november 2019 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van één jaar.
Namens de verdachte is tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 18 mei 2021 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar dit gerechtshof teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2019.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 08 januari 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van (schriftelijke) aangifte als bedoeld in artikel 3 van Pro de Verordening (EU) nummer 1889/2005 van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, immers heeft hij, verdachte toen daar geen, een onvolledige of onjuiste aangifte gedaan terwijl hij die Gemeenschap binnenkwam of verliet en liquide middelen van 10.000 of meer vervoerde, te weten een geldbedrag van (in totaal) 10.000 euro.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking bewijsverweren

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte op
22 januari 2018 aangifte heeft gedaan van vier valse biljetten van € 50,00. De verdachte zou dus maar
€ 9.800,00 bij zich hebben gehad op 8 januari 2018 bij de douane op Schiphol, aangezien vals geld geen waarde heeft, en was daarom niet verplicht aangifte van liquide middelen te doen, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.
Op 8 januari 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, is bij controle vastgesteld dat de verdachte niet heeft voldaan aan – kort gezegd – de aangifteplicht van artikel 3 van Pro de Verordening (EU) 1889/2005. Het door de verdachte niet aangegeven bedrag, dat in zijn handbagage is aangetroffen, bleek in totaal € 10.000,00 te zijn.
Het standpunt van de verdediging dat een deel van het geld achteraf vals bleek te zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. De verdachte heeft weliswaar in zijn aangifte bij de politie op 22 januari 2018 verklaard dat hij op 8 januari 2018 naar Dubai is gereisd en daar bij een wisselkantoor € 1.000,- heeft aangeboden om te wisselen, waarna zou zijn gebleken dat vier biljetten van € 50,00 vals waren, maar die verklaring is op geen enkele wijze nader onderbouwd. Zo ontbreekt enige onderbouwing van de stelling dat de verdachte naar een wisselkantoor in Dubai is gegaan en dat is vastgesteld dat hij (deels) vals geld had aangeboden. Evenmin bevat het dossier enige indicatie dat uit voornoemde controle op Schiphol, waarbij het geld kennelijk door opsporingsambtenaren is geteld, aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat zich tussen het door de verdachte meegenomen geld vals geld bevond.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 8 januari 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van (schriftelijke) aangifte als bedoeld in artikel 3 van Pro de Verordening (EG) nummer 1889/2005 van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, immers heeft hij, verdachte toen daar geen, een onvolledige of onjuiste aangifte gedaan terwijl hij die Gemeenschap binnenkwam of verliet en liquide middelen van 10.000 euro of meer vervoerde, te weten een geldbedrag van (in totaal) 10.000 euro.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
als degene, die uit hoofde van artikel 3 van Pro verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten verplicht is tot het doen van aangifte, deze aangifte niet voldoen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf of maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis ten aanzien van de oplegging van de sanctie zal bevestigen.
De raadsman heeft verzocht om – mocht het tot een bewezenverklaring komen – de verdachte schuldig te verklaren zonder een straf of maatregel op te leggen. Daartoe heeft hij gewezen op de beperkte ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft geen aangifte gedaan bij de Douane van het feit dat hij een geldbedrag van in totaal
€ 10.000,00 euro bij zich had. Door zo te handelen heeft de verdachte niet voldaan aan de aangifteplicht voor dergelijke bedragen.
Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval acht het hof het, met de advocaat-generaal, aangewezen te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 5 februari 2018 onder FSB nummer [nummer].
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden, mr. P.F.E. Geerlings, mr. H.A. van Eijk en mr. T. de Bont, in tegenwoordigheid van mr. A. de Wit, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 oktober 2021.
Mr. T. de Bont is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]