ECLI:NL:GHAMS:2021:3229
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling zonder strafoplegging voor niet voldoen aan aangifteplicht liquide middelen op Schiphol
De verdachte werd ervan beschuldigd op 8 januari 2018 op Schiphol niet te hebben voldaan aan de aangifteplicht voor het vervoeren van liquide middelen van €10.000 of meer, zoals voorgeschreven in artikel 3 van Pro Verordening (EG) nr. 1889/2005. De politierechter had de verdachte schuldig verklaard zonder strafoplegging. In hoger beroep werd de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete, maar de Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof.
Tijdens de hernieuwde behandeling verwierp het hof het verweer van de verdachte dat een deel van het geld vals was en daarom niet meetelde. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte geen volledige of juiste aangifte had gedaan terwijl hij €10.000 aan liquide middelen bij zich had. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten.
Het hof besloot, mede gelet op de beperkte ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, geen straf of maatregel op te leggen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het arrest van het hof van november 2019 kwam te vervallen. De verdachte werd veroordeeld zonder strafoplegging.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor niet voldoen aan aangifteplicht van €10.000 liquide middelen, zonder strafoplegging.