ECLI:NL:GHAMS:2021:3271

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 oktober 2021
Publicatiedatum
1 november 2021
Zaaknummer
23-000293-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 SvArt. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens te laat indienen appelschriftuur

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het vonnis van de politierechter in strafzaken tegen verdachte. Het hoger beroep was ingesteld op 5 februari 2021, maar de appelschriftuur met de grieven werd pas op 23 februari 2021 ingediend, wat vier dagen te laat was volgens artikel 410, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.

De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege deze termijnoverschrijding. De advocaat-generaal verzocht het hof om ondanks de te late indiening ontvankelijkheid te verlenen, met als reden de coronacrisis en de lockdown perikelen.

Het hof oordeelde dat de coronasituatie geen rechtvaardiging bood voor de te late indiening, mede omdat het openbaar ministerie ruim een jaar na het uitbreken van de crisis voldoende had moeten anticiperen op tijdige indiening. Het belang van het hoger beroep woog niet zwaarder dan het belang van het verbinden van niet-ontvankelijkheid aan het verzuim. De benadeelde partijen waren door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard, zodat hun belangen niet zwaarder wogen.

Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 oktober 2021.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van de appelschriftuur.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000293-21
datum uitspraak: 18 oktober 2021
TEGENSPRAAK(gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 25 januari 2021 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-297678-20, 15-283211-20 en 15-289684-19 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres].

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 oktober 2021.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de standpunten van de advocaat-generaal en van de raadsvrouw.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep wegens het te laat indienen van een schriftuur in de zin van artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De advocaat-generaal heeft gevorderd het openbaar ministerie, ondanks de termijnoverschrijding, wél ontvankelijk te achten in het hoger beroep.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 410, eerste lid, Sv bepaalt dat de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven moet indienen. Indien van de zijde van het openbaar ministerie een schriftuur niet is ingediend, kan in gevolge artikel 416, derde lid, Sv het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard. Die bepaling is mede van toepassing op een geval als het onderhavige, waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het openbaar ministerie op 5 februari 2021 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter en dat de appelschriftuur, bevattende de redenen voor het instellen van hoger beroep, op 23 februari 2021 is ingediend, derhalve niet binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of het belang van het hoger beroep zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om tijdig een appelschriftuur in te dienen.
In het onderhavige geval is de appelschriftuur vier dagen te laat ingediend. De door de advocaat-generaal opgegeven reden – te weten: de perikelen rondom de lockdown als gevolg van de coronacrisis – biedt naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging voor de te late indiening, nu het openbaar ministerie ten tijde van het instellen van hoger beroep – te weten: een jaar na het uitbreken van de coronacrisis – inmiddels in voldoende mate ingespeeld had moeten zijn op het tijdig indienen van een appelschriftuur. Hierbij heeft het hof mede het gewicht van deze zaak in aanmerking genomen, alsmede het belang van de benadeelde partijen. Dat belang wordt echter niet op dusdanige wijze geschaad of beperkt dat het in casu een zelfstandige grond vormt voor het zwaarder laten wegen van het belang van een behandeling van het hoger beroep: de benadeelde partijen zijn door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Voor de benadeelde partijen staat derhalve de weg naar de civiele rechter open.
Het hof is dan ook van oordeel dat het belang van het ingestelde hoger beroep in het onderhavige geval niet prevaleert boven het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om tijdig een appelschriftuur in te dienen. Dit leidt ertoe dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. A.M. Kengen en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 oktober 2021.
Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is niet in staat dit arrest te ondertekenen.