Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn ouders van een minderjarige die haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. Na ontbinding van het huwelijk is een kinderbijdrage vastgesteld die later op nihil werd gesteld vanwege beperkte draagkracht van de man. De man verzocht om een bijdrage van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van een eerste vaststelling van de kinderbijdrage en dat een wijziging van omstandigheden, zoals een verruimde zorgregeling, een herbeoordeling rechtvaardigde. De man had een zorgkorting van 35% en een geringe draagkracht, maar het tekort was te klein om een bijdrage van de vrouw te rechtvaardigen.
Het hof stelde dat de vrouw niet in een uitzonderlijke situatie verkeerde die een bijdrage aan de verblijfskosten van de man zou rechtvaardigen. De vrouw voorziet grotendeels in de behoefte van de minderjarige en de man draagt relatief weinig bij. De vordering van de man werd afgewezen en de bestreden beschikking vernietigd voor zover het de kinderalimentatie betrof.
Uitkomst: De vrouw hoeft geen bijdrage te betalen in de verblijfskosten van de minderjarige bij de man; het verzoek van de man wordt afgewezen.