ECLI:NL:GHAMS:2021:3402
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding voor onterechte inverzekeringstelling en rechtsbijstand
Appellant stelde een verzoek tot schadevergoeding in wegens onterechte inverzekeringstelling en gemaakte kosten voor rechtsbijstand in een strafzaak die zonder strafoplegging werd beëindigd. De rechtbank wees het verzoek af, stellende dat appellant zijn aanhouding zelf had veroorzaakt door bedreigend gedrag, waardoor geen billijkheidsggrond voor vergoeding bestond.
In hoger beroep overwoog het hof dat hoewel de zaak was geseponeerd, het niet onomstotelijk vaststaat dat appellant schuldig was, mede gelet op tegenstrijdige verklaringen en ontkenning van bedreiging. Het hof benadrukte dat het billijkheidsoordeel in verzoekschriftprocedures niet mag neerkomen op een inhoudelijk oordeel over schuld, maar moet worden gebaseerd op de omstandigheden van het geval.
Het hof stelde vast dat appellant tijdig hoger beroep had ingesteld en dat er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor vergoeding van de ondergane inverzekeringstelling en de kosten van rechtsbijstand. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en kende het een vergoeding van €210 voor de inverzekeringstelling en €280 voor de rechtsbijstand toe.
De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 9 november 2021.
Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding toe van €210 voor inverzekeringstelling en €280 voor rechtsbijstand.