In deze zaak stond de verdachte terecht wegens overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 31 december 2020 te Amsterdam. De zaak kwam in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam tegen het vonnis van de kantonrechter van 6 juli 2021.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en deed opnieuw recht. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €750 en vijftien dagen hechtenis, waarvan één week vervangende hechtenis bij niet-betaling. Tevens werd een proeftijd van twee jaar opgelegd, waarbij de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de verdachte zich binnen die termijn aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Daarnaast wees het hof de vordering van de officier van justitie af tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke hechtenis met proeftijd. De uitspraak is gewezen door mr. N.A. Schimmel, in aanwezigheid van mr. A. de Wit, griffier.