Op 27 april 2018 heeft verdachte te Amsterdam het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onder b van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 overtreden. De kantonrechter veroordeelde verdachte op 4 maart 2020, waarna hoger beroep werd ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.
Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 20 juni 2018. Vervolgens veroordeelt het hof verdachte tot een geldboete van €110,00, die bij niet-betaling wordt vervangen door twee dagen hechtenis. De geldboete zal niet ten uitvoer worden gelegd tenzij verdachte zich binnen de proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit.
De uitspraak is gewezen door mr. N.A. Schimmel, in aanwezigheid van mr. A. de Wit, griffier. Het hof bepaalt hiermee een voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van twee jaar, waarmee het belang van naleving van de APV wordt benadrukt.