ECLI:NL:GHAMS:2021:3530

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 november 2021
Publicatiedatum
16 november 2021
Zaaknummer
23-001392-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 422 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in vordering tot ontneming na vrijspraak

Het openbaar ministerie vorderde in eerste aanleg ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van €32.362,12 van de betrokkene. De politierechter sprak de betrokkene vrij van het ten laste gelegde en wees de ontnemingsvordering af. Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen beide vonnissen.

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep en bevestigde de vrijspraak van de betrokkene. Gezien deze vrijspraak verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het arrest is gewezen na onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en eerste aanleg, waarbij het hof kennisnam van de vordering van de advocaat-generaal en de verweren van de betrokkene en diens raadsman. De beslissing houdt in dat het openbaar ministerie geen aanspraak kan maken op ontneming in deze zaak.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak van de betrokkene.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001392-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 3 november 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-706460-15 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1978,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 32.362,12.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2020 vrijgesproken ten het tenlastegelegde.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 15 juni 2020 de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht afgewezen.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 november 2021 vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 32.362,12 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit, gelet op de in de strafzaak bepleite vrijspraak.
Nu de verdachte is vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd in de onderliggende strafzaak, is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. J.D.L. Nuis en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 november 2021.