ECLI:NL:GHAMS:2021:3738
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake gezag en zorgregeling minderjarige met verblijfplaats in Duitsland
Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een minderjarige is geboren. De moeder oefent het gezag uit en is met het kind naar Duitsland verhuisd, waar ook de gewone verblijfplaats van het kind op het moment van het verzoek lag. De vader, met de Nederlandse nationaliteit, verzocht de Nederlandse rechter om gezamenlijk gezag en een zorgregeling toe te wijzen.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd, en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof baseert zich op artikel 8 van Pro de Europese verordening Brussel II-bis, dat bepaalt dat de rechter van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind bevoegd is. De verblijfplaats van het kind was op het moment van het verzoek in Duitsland, waar de moeder woont en het gezag uitoefent.
Hoewel de vader stelde dat de moeder misbruik maakte van haar bevoegdheid door zonder overleg te verhuizen, oordeelt het hof dat dit niet leidt tot een andere bevoegdheidsconclusie. Het hof benadrukt dat er contact en omgang is tussen vader en kind, en onderschrijft het advies van de Raad voor de Kinderbescherming om het contact uit te breiden met professionele hulp.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de verzoeken van de vader, en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd kennis te nemen van de verzoeken van de vader omdat de gewone verblijfplaats van het kind op het moment van het verzoek in Duitsland was.