ECLI:NL:GHAMS:2021:3938

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 december 2021
Publicatiedatum
15 december 2021
Zaaknummer
23-002754-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs ongeldigverklaring rijbewijs

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 4 juni 2020 in Beverwijk een motorrijtuig bestuurde terwijl zijn rijbewijs voor categorie B ongeldig was verklaard en hij daarvan op de hoogte was. Het openbaar ministerie vorderde een gevangenisstraf van drie weken.

Het hof stelde vast dat voor een bewezenverklaring vereist is dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs bekend was gemaakt aan de verdachte en dat zes dagen na die bekendmaking waren verstreken, dat geen ander rijbewijs was afgegeven en dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was.

Uit het dossier bleek dat de stukken over de ongeldigverklaring uit 2002 niet meer beschikbaar waren, waaronder de mededeling van het CBR aan de verdachte. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat het rijbewijs ongeldig was en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

De vordering van het openbaar ministerie werd daarom verworpen en het hof sprak de verdachte vrij. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs dat rijbewijs ongeldig was en dat hij daarvan op de hoogte was.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002754-20
datum uitspraak: 15 december 2021
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2020 in de strafzaak onder parketnummer 96-220885-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2021.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, waarbij de verdachte integraal van het hem tenlastegelegde is vrijgesproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 4 juni 2020 te Beverwijk terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Spoorsingel, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

Vrijspraak

Het hof stelt voorop dat, om tot een bewezenverklaring van de op artikel 9, tweede lid, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet kunnen worden vastgesteld:
a. dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, dat het desbetreffende besluit aan hem bekend is gemaakt en dat dit besluit van kracht was doordat zes dagen zijn verlopen na die bekendmaking;
b. dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven voor de categorie waartoe het motorrijtuig behoort dat hij bestuurde;
c. dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
(vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146)
Dat aan het onder a genoemde vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.
In het strafdossier van de voorliggende zaak bevindt zich correspondentie tussen het openbaar ministerie en het CBR waaruit volgt dat het dossier dat betrekking heeft op de ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte dateert uit 2002, en dat hiervan geen stukken meer beschikbaar zijn. Het hof beschikt hierdoor niet over de hiervoor bedoelde mededeling van het CBR, en ook niet over stukken op grond waarvan kan worden vastgesteld dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de verdachte heeft plaatsgevonden. Nu ook anderszins niet uit het dossier blijkt dat het rijbewijs van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde ongeldig was verklaard en dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte bekend was gemaakt en op het moment van het tenlastegelegde van kracht was, kan het hof niet vaststellen dat aan het hiervoor onder a bedoelde vereiste is voldaan. Hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht omtrent de in 2002 gebruikelijke wijze van bekendmaking van besluiten tot – kort gezegd – ongeldigverklaring maakt dit niet anders.
Het voorgaande betekent dat het hetgeen de verdachte is tenlastegelegd niet kan worden bewezen en dat het hof, met de politierechter en de raadsman, van oordeel is dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. A.M. van Woensel en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 december 2021.
mr. A.M. van Woensel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.