Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep in het incident tot schorsing
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank waarin ambtshalve het ouderlijk gezag van de moeder over twee minderjarige kinderen is beëindigd op verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) via de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder verzet zich tegen de beëindiging en wenst haar gezag te behouden.
Het hof overweegt dat de GI niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat zij geen eigen rechtsingang heeft voor het verzoek tot gezagsbeëindiging, maar wel als informant wordt betrokken. Uit de feiten blijkt dat de kinderen sinds 2018 bij de vader wonen vanwege ernstige problemen bij de moeder, waaronder psychische en verslavingsproblematiek en verwaarlozing. De moeder heeft sinds 2019 geen contact meer met de kinderen, die behoefte hebben aan rust en voorspelbaarheid.
De moeder erkent het hoofdverblijf bij de vader maar vreest dat een gezagsbeëindiging te verstrekkend is. De vader en GI steunen de beëindiging vanwege het ontbreken van goed overleg en de negatieve impact op de kinderen. Het hof stelt vast dat het gezamenlijk gezag de kinderen ernstig bedreigt, dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de opvoeding kan dragen en dat het belang van de kinderen bij snelle beslissingen prevaleert.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De beslissing draagt bij aan het bieden van stabiliteit en het voorkomen van verdere schade aan de ontwikkeling van de kinderen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ambtshalve beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de kinderen.