Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
30 maart 2018.
Hoge Raad
In deze zaak verzocht de vader, die niet met het ouderlijk gezag was belast, in hoger beroep tegen de beëindiging van het gezag van de moeder over twee minderjarigen. De rechtbank had het gezag van de moeder beëindigd en een gecertificeerde instelling tot voogd benoemd. Het hof verklaarde de vader niet-ontvankelijk omdat hij niet als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro kon worden beschouwd.
De vader stelde dat hij als ouder die de kinderen meer dan een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgde, belanghebbende moest zijn op grond van art. 798 lid Pro 1, tweede volzin, Rv. De Hoge Raad oordeelde dat deze bepaling uitsluitend ziet op pleegouders en niet op biologische ouders zonder gezag. Ook het beroep op het EVRM faalde omdat de vader niet werd beperkt in zijn recht op gezinsleven en de Nederlandse wet hem de mogelijkheid biedt het gezag te verkrijgen.
Verder werd geoordeeld dat het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv alleen toekomt aan ouders die belanghebbende zijn in de procedure. De overige klachten van de vader werden verworpen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkheid van de vader in hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vader niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en niet-ontvankelijk is in hoger beroep.