ECLI:NL:GHAMS:2021:3985
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige vrijheidsberoving afgewezen
Appellant werd op 21 september 2019 aangehouden op verdenking van openlijke geweldpleging tegen goederen en vervolgens onderworpen aan een bevel tot ophouden voor onderzoek. De nacht bracht hij thuis door, waarna hij zich de volgende dag meldde voor verhoor en later die dag werd heengezonden. De officier van justitie seponeerde de zaak onvoorwaardelijk.
Appellant verzocht om schadevergoeding wegens de ondergane vrijheidsberoving, kosten van de eerste verzoekschriftprocedure en kosten rechtsbijstand in hoger beroep. De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van de vrijheidsberoving af omdat geen sprake was van inverzekeringstelling of een gelijkgestelde vrijheidsbeneming.
In hoger beroep stelde appellant dat de vrijheidsberoving onrechtmatig was omdat de politie de vrijheidsberoving onrechtmatig had onderbroken en hervat. Het hof oordeelde dat appellant niet in verzekering had hoeven worden gesteld en dat de politie handelde binnen de wettelijke kaders en conform artikel 10 van Pro richtlijn (EU) 2016/800. Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vergoeding van de vrijheidsberoving.
Wel kende het hof een vergoeding toe voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep van €280. De beschikking werd vernietigd en appellant werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding voor de vrijheidsberoving.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding wegens vrijheidsberoving, maar krijgt een vergoeding van €280 voor kosten rechtsbijstand.