In deze civiele zaak stond centraal of appellant recht had op terugbetaling van door hem betaalde bedragen aan Jamiti B.V. en of Jamiti tekortgeschoten was in haar verplichtingen. Appellant had een geldlening van €1.350.000,- beoogd, waarvoor zekerheden zouden worden gesteld, maar de lening is uiteindelijk niet verstrekt en zekerheden niet geleverd.
De rechtbank had de vorderingen van appellant grotendeels afgewezen en de vordering van Jamiti tot betaling van boeterente toegewezen. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat het aanvangsbeding in de e-mail van 16 februari 2018 ondubbelzinnig inhoudt dat rente ook verschuldigd is indien de lening niet doorgaat. Appellant heeft dit redelijkerwijs zo moeten begrijpen, mede omdat hij zonder protest rente heeft betaald.
Verder oordeelt het hof dat geen nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen op 25 april 2018 en dat Jamiti niet tekortgeschoten is, omdat zij niet verplicht was tot betaling zonder zekerheid. Ook is het boetebeding geldig en is het risico van het niet kunnen verstrekken van zekerheden voor appellant. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten.