ECLI:NL:GHAMS:2021:4091
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Uitspraak over uitvoerbaarverklaring bij voorraad en zekerheidstelling in civiele procedure
In deze civiele procedure vordert geïntimeerde dat het vonnis, waarin appellant is veroordeeld tot betaling van een geldsom, alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De rechtbank had dit eerder niet gemotiveerd besloten. Het hof overweegt dat het ontbreken van een gemotiveerde beslissing omtrent de uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen beletsel vormt om deze alsnog toe te wijzen.
Appellant voert aan dat hij vanwege verliezen door de coronapandemie niet aan de veroordeling kan voldoen en dat er sprake is van restitutierisico en verhaalsmoeilijkheden bij geïntimeerde. Deze stellingen zijn volgens het hof onvoldoende onderbouwd met concrete stukken. De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van geïntimeerde bij uitvoerbaarheid zwaarder weegt dan het belang van appellant bij het verbinden van een zekerheidstelling.
Het hof wijst daarom de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad toe en wijst de voorwaardelijke vordering tot zekerheidstelling af. De beslissing over proceskosten wordt aangehouden. De hoofdzaak wordt verwezen voor het nemen van een memorie van grieven door appellant.
Uitkomst: Het hof verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst de voorwaardelijke vordering tot zekerheidstelling af.