Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Uitspraak van 17 november 2021
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Vaststaande feiten
Oordeel van de Rechtbank
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2012, opgelegd door de Inspecteur. De Rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond, kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van de beroepsfase, maar niet voor de bezwaarfase.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd, met name stukken die verband houden met een onderzoek naar het kantoor van haar gemachtigde. Het Hof oordeelde dat deze stukken niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren omdat het onderzoek niet op belanghebbende zelf was gericht en de Inspecteur wel beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
Verder stelde belanghebbende dat zij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het Hof volgde de Rechtbank en de Hoge Raad in het oordeel dat bij toekenning van immateriële schadevergoeding geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekend als het bezwaar geheel wordt afgewezen.
Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.