Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
niet vaststellen dat [de man] tegenover [de vrouw] enige aanspraak op verrekening heeft. De vordering van [de man] zal daarom worden afgewezen.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn voormalige echtelieden die gehuwd waren onder huwelijkse voorwaarden, waarbij geen gemeenschap van goederen bestond, maar na ontbinding van het huwelijk verrekening plaatsvindt alsof sprake was van algehele gemeenschap. De vrouw was eigenaar van een woning en had een levensverzekering (polis) afgesloten die gekoppeld was aan een hypothecaire lening. De man was medeschuldenaar en medeverzekerde.
Na ontbinding van het huwelijk ontstond discussie over de verdeling van de polis. De rechtbank had geoordeeld dat de vrouw als enige gerechtigde was tot de opgebouwde waarde van de polis vanaf 12 januari 2001 tot 1 november 2022, en wees de vordering van de man af. Het hof oordeelt dat de polis een eenvoudige gemeenschap vormt en dat de man gerechtigd is tot de helft van de waarde op de peildatum, met inachtneming van redelijkheid en billijkheid.
Omdat de vrouw vanaf de echtscheidingsdatum de premies alleen heeft betaald, acht het hof het redelijk dat de man slechts de helft van de waarde van de polis per 12 januari 2001 plus rentevergoeding ontvangt. De vordering van de man tot betaling van €7.081,21 wordt toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de poliswaarde betreft.
Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot betaling van €7.081,21 aan de man wegens zijn recht op de helft van de poliswaarde per echtscheidingsdatum met rente.