ECLI:NL:GHAMS:2021:4283

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 december 2021
Publicatiedatum
17 januari 2022
Zaaknummer
23-001456-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van openlijke geweldpleging in vereniging

Op 4 januari 2020 ontstond een verkeersruzie in Den Haag tussen verdachte en medeverdachte enerzijds, en de aangever anderzijds. De aangever verklaarde door beiden te zijn geslagen, terwijl getuigen wisselende verklaringen gaven over de toedracht. De verdachte ontkende te hebben geslagen en stelde slechts te hebben geduwd.

De politierechter veroordeelde verdachte, maar het hof vernietigt dit vonnis en spreekt verdachte vrij. Het hof oordeelt dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het geweld in vereniging met medeverdachte heeft gepleegd. De verklaringen van getuigen zijn inconsistent en onvoldoende betrouwbaar.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt afgewezen omdat verdachte niet schuldig is bevonden. Beide partijen dragen hun eigen kosten. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag op 28 december 2021.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van openlijke geweldpleging in vereniging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001456-21
datum uitspraak: 28 december 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Den Haag, nevenzittingsplaats Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 25 november 2020 in de strafzaak onder parketnummer 09-002583-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 4 januari 2020 te 's-Gravenhage openlijk, te weten op de [straat], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde], door voornoemde [benadeelde] meermalen tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat de verdachte geslagen zou hebben. De verdachte heeft [medeverdachte] en de aangever enkel uit elkaar willen halen en heeft daarbij mogelijk het gezicht van de aangever geraakt.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangever heeft verklaard door [medeverdachte] en de verdachte te zijn geslagen en dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat er werd ‘gevuist’. De verklaringen van [medeverdachte] en de verdachte zijn ongeloofwaardig, aangezien [medeverdachte] wisselend heeft verklaard over wie de eigenaar van de auto is, [medeverdachte] heeft ontkend dat hij bestuurder van de auto was omdat hij geen rijbewijs had, en de politie geen schade aan de auto heeft geconstateerd hetgeen in lijn is met de verklaring van de aangever. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Van het “in vereniging” plegen van geweld is sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.
Uit het dossier volgt dat op 4 januari 2020 in de [straat] in Den Haag een verkeersruzie is ontstaan tussen enerzijds de verdachte en [medeverdachte], die samen met getuige [getuige 1] in een auto zaten, en anderzijds aangever, die op een fiets reed. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat er een woordenwisseling plaatsvond tussen een fietser en een lange man (het hof begrijpt: [medeverdachte]). De getuige zag een tweede, kleine man aan komen rennen die de fietser sloeg (het hof begrijpt: de verdachte). De aangever heeft verklaard dat hij door zowel [medeverdachte] als de verdachte werd geslagen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de aangever weliswaar heeft geduwd, maar niet heeft geslagen.
Nog daargelaten de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de aangever daadwerkelijk heeft geslagen, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een voldoende significante bijdrage van [medeverdachte] aan eventueel door de verdachte gepleegd geweld. Dat getuige [getuige 1] tegen de politie heeft gezegd dat hij zag dat de aangever en [medeverdachte] in gevecht raakten, maakt dit niet anders, nu de getuige [getuige 1] tijdens datzelfde verhoor heeft verklaard dat hij niet kon zien wat er gebeurde. Ook heeft hij wisselend verklaard en is hij tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris op zijn eerdere verklaring teruggekomen. Nu naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het eventuele geweld in vereniging heeft gepleegd, kan niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging.
Aldus is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 435,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, nevenzittingsplaats Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. N. van der Wijngaart en mr. D. Abels, in tegenwoordigheid van mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 december 2021.
mr. N. van der Wijngaart, mr. D. Abels en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.