ECLI:NL:GHAMS:2021:4292

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2021
Publicatiedatum
26 januari 2022
Zaaknummer
23-000463-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 180 SrArt. 266 Sr
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens diefstal, eenvoudige belediging ambtenaar, vernieling en wederspannigheid

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte werd veroordeeld voor meerdere strafbare feiten gepleegd in december 2019 en januari 2020. De bewezenverklaringen betreffen diefstal, meermalen eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie, vernieling van eigendom en wederspannigheid.

De feiten vonden plaats op verschillende locaties, waaronder Alkmaar, Heerhugowaard en Zandvoort. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en legde een gevangenisstraf van vier weken op, waarbij de voorarresttijd in mindering wordt gebracht. Daarnaast werden aan de benadeelde partijen immateriële schadevergoedingen van ieder €375 toegekend, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 december 2019.

De gijzelingstermijn werd vastgesteld op maximaal zeven dagen, waarbij de betalingsverplichting aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers blijft bestaan. Het hof bepaalde dat betaling aan één van de slachtoffers de verplichting tot betaling aan de ander doet vervallen. De uitspraak werd gewezen door mr. H.A. van Eijk, in aanwezigheid van griffier M.E. de Waard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf en betaling van immateriële schadevergoedingen aan de benadeelden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer eerste aanleg : 15-290716-19, 15-301142-19 (gevoegd) en 15-005050-20 (gevoegd)
parketnummer hoger beroep : 23-000463-20
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van
27 januari 2021gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2020 in de zaak tegen de verdachte:
naam:
[verdachte]
voornamen: [verdachte]
geboren: op [geboorteplaats 1] 1987 te [geboorteplaats 2] ([geboorteland])
adres: [adres]
thans uit andere hoofde gedetineerd in het penitentiair psychiatrisch centrum Haaglanden te Scheveningen.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 15-290716-19 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het in de zaak met parketnummer 15-290716-19 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 15-301142-19 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Het in de zaak met parketnummer 15-005050-20 bewezenverklaarde levert op:
wederspannigheid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

de artikelen 36f, 57, 63, 180, 266, 267, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Gepleegd
in de zaak met parketnummer 15-290716-19
feit 1:
op 4 december 2019 te Alkmaar;
feit 2:
op 4 december 2019 te Alkmaar;
en in de zaak met parketnummer 15-301142-19
feit 1:
op 18 december 2019 te Heerhugowaard;
en in de zaak met parketnummer 15-005050-20
feit 1:
op 7 januari 2020 te Zandvoort;

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-290716-19 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 375,00 (driehonderdvijfenzeventig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-290716-19 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 375,00 (driehonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 december 2019.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-290716-19 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 375,00 (driehonderdvijfenzeventig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-290716-19 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 375,00 (driehonderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 december 2019.
Gewezen door mr. H.A. van Eijk, in bijzijn van M.E. de Waard, griffier.
mr. H.A. van Eijk