In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2018 is de verdachte veroordeeld voor bedrieglijke bankbreuk. De verdediging voerde aan dat de verdachte niet op de hoogte was van het verzoek tot overlegging van de administratie en niet feitelijk bestuurder was. Het hof oordeelde dat de verdachte wel als feitelijk bestuurder kan worden aangemerkt en dat hij de administratieplicht niet kon ontlopen.
Daarnaast verwierp het hof het verweer dat de verdachte onder druk van anderen handelde, omdat dit onvoldoende concreet was onderbouwd. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk opgelegd door de rechtbank, maar het hof verminderde de onvoorwaardelijke straf met 2 maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof hield rekening met het benadelingsbedrag van €218.788,57 en de eerdere veroordeling van de verdachte voor fraudedelicten. Gezien het listige handelen en de gevolgen voor de schuldeisers achtte het hof een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk passend. Het vonnis werd in zoverre vernietigd en opnieuw recht gedaan, met bevestiging van het overige vonnis.