Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2021:4342

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 september 2021
Publicatiedatum
21 februari 2022
Zaaknummer
23-002413-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6 EVRMArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep schadevergoeding na diefstal trouwringen en strafrechtelijke veroordeling

Deze zaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarbij verdachte is veroordeeld voor diefstal van twee trouwringen uit een woning te Rhenen. De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding.

De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Het hof heeft dit in hoger beroep verhoogd naar 32 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De Hoge Raad vernietigde het arrest deels vanwege de strafduur en schadevergoedingsmaatregel en verwees de zaak terug.

Bij het nieuwe arrest heeft het hof de materiële schadevergoeding van €1.650 toegewezen, maar de immateriële schadevergoeding afgewezen omdat geen sprake was van lichamelijk letsel of aantasting van eer of goede naam. De wettelijke rente wordt vanaf 21 september 2017 berekend. De verdachte is veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en wettelijke rente, met een gijzelingstermijn van maximaal 26 dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: Toewijzing van materiële schadevergoeding van €1.650 aan benadeelde partij en bevestiging van strafrechtelijke veroordeling met aangepaste strafduur.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002413-20
datum uitspraak: 6 september 2021
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 27 oktober 2020 op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2018 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-680169-17 (zaak A), 13-741034-18 (zaak B) en 13-741046-18 (zaak C), alsmede 13-669047-15 (TUL) tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres 1].

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2, 3, 5 en 8 en in zaak B onder 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren onder het stellen van enkele bijzondere voorwaarden.
Voorts zijn beslissingen genomen op vorderingen van benadeelde partijen, waaronder die van de benadeelde partij [benadeelde], als hieronder aangegeven, ter zake van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde, te weten diefstal.
Namens de verdachte en door het openbaar ministerie is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 28 februari 2019 – kortgezegd – het hierboven genoemde vonnis, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en opnieuw recht gedaan, de dagvaardingen in zaak A onder 2, 5, 6, 7,en 11 en in zaak B onder 1, 2 en 3 partieel nietig verklaard en de verdachte voor het in zaak A onder 1, 2, 3, 5, 8 en 12 en in zaak B onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, onder het stellen van enkele bijzondere voorwaarden.
Voorts zijn beslissingen genomen op de vorderingen van benadeelde partijen, waaronder die van de benadeelde partij [benadeelde], ter zake van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde, te weten dat “
hij op 21 september 2017 te Rhenen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in een woning, gelegen aan de [adres 2], twee trouwringen, toebehorende aan [benadeelde].”.
Namens de verdachte is tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 27 oktober 2020 de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft (i) de duur van de opgelegde gevangenisstraf, (ii) de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad der Nederlanden heeft de opgelegde gevangenisstraf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen, opdat de zaak ten aanzien van de hiervoor onder (ii) genoemde beslissingen opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2021.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman, alsmede door en namens de benadeelde partij [benadeelde] naar voren is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00, bestaande uit € 1.650,00 aan materiële schade en € 350,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 1.650,00 aan materiële schade en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
De raadsman heeft tevens verzocht de vordering voor wat betreft de materiële schade toe te wijzen en de vordering voor het overige af te wijzen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.650,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade geldt het volgende.
Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam is in dit geval geen sprake. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het ‘op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast’ geldt als uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de toelichting van de benadeelde partij op de vordering leidt het hof af dat zij begrijpelijke gevoelens van verdriet om het verlies van de trouwringen heeft. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat zij daadwerkelijk geestelijk letsel heeft opgelopen door het bewezen verklaarde strafbare feit en ook niet, dat zij daardoor op andere wijze in haar persoon is aangetast als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop zal het hof dit deel van de vordering afwijzen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in zaak B onder 2 (door het hof bij arrest van 28 februari 2019) bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.650,00 (duizend zeshonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde], ter zake van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.650,00 (duizend zeshonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 26 (zesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 september 2017.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. F.M.D. Aardema en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 september 2021.
mr. N. van der Wijngaart en mr. A. Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.