De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot contante stortingen en de exploitatie van een cafetariabedrijf. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis voor zover het de contante stortingen betrof en sprak de verdachte daarvan vrij, omdat de contante stortingen plausibel verklaard konden worden door uitbetalingen aan de ex-partner op basis van een geldige schikking en rechterlijke uitspraak.
Het hof oordeelde echter dat het cafetariabedrijf en de opbrengst van de verkoop daarvan wel als witwasvoorwerpen moesten worden aangemerkt. De verbouwingen van het bedrijf waren gefinancierd met crimineel geld van de ex-partner, die geen legaal inkomen had. De verdachte exploiteerde het bedrijf samen met haar ex-partner en wist van de criminele herkomst van het vermogen. Hierdoor was sprake van gewoontewitwassen.
De straf werd door het hof vastgesteld op tien maanden en twee weken gevangenisstraf, verminderd wegens schending van de redelijke termijn. Daarnaast werden vorderingen op de vennootschap verbeurd verklaard. De sieraden en pet die in beslag waren genomen, werden teruggegeven omdat deze niet in verband stonden met het bewezenverklaarde strafbare feit.