De verdachte werd aanvankelijk door de politierechter vrijgesproken van het besturen van een personenauto onder invloed van THC met een bloedwaarde boven de wettelijke grenswaarde. Het openbaar ministerie stelde hiertegen hoger beroep in. Het gerechtshof Amsterdam bevestigde in eerste aanleg het vonnis, maar verving de motivering. De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in, waarna de Hoge Raad het arrest vernietigde en de zaak terugwees voor hernieuwde behandeling.
Bij het onderzoek in hoger beroep stelde het hof vast dat de verdachte op 15 oktober 2017 te Wieringerwerf een auto bestuurde met een THC-gehalte van 11 microgram per liter bloed, hoger dan de wettelijke grenswaarde. Het hof achtte dit wettig en overtuigend bewezen en verwierp daarmee de eerdere vrijspraak.
De verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Gelet op de ernst van het feit, het tijdsverloop sinds het delict, het feit dat de verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en zijn eerdere strafrechtelijke verleden, legde het hof een voorwaardelijke geldboete van €650,- op, met een proeftijd van twee jaar, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.
Het hof motiveerde dat het gebruik van cannabis de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt en dat het besturen van een voertuig onder invloed de verkeersveiligheid in gevaar brengt. De straf werd gematigd vanwege de omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 11 november 2021.