In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank vernietigd en een nieuwe beslissing genomen over het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan de veroordeelde moet worden ontnomen. De zaak betreft oplichting en witwassen waarbij de veroordeelde als brein achter een criminele organisatie betrokken was.
De rechtbank had het voordeel vastgesteld op €645.598,05, maar het hof heeft op basis van het bewijs en de rolverdeling binnen de organisatie het voordeel geschat op €1.533.832,50. Hierbij is rekening gehouden met bedragen die via verschillende transacties en tussenpersonen zijn verkregen, waaronder contante opnames en de verkoop van goudstaven.
Gezien de overschrijding van de redelijke termijn van bijna zes jaar, heeft het hof de betalingsverplichting gematigd tot €1.400.000,-. De veroordeelde is verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 3 maart 2021. De zaak illustreert de toepassing van artikel 36e oud Wetboek van Strafrecht op ontnemingsvorderingen in complexe fraudezaken.