Uitspraak
6 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 81-246398-18 tegen
Gerechtshof Amsterdam
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het invoeren van houten pallets zonder de vereiste fytosanitaire merktekens, in strijd met artikel 2 van Pro de Plantenziektenwet. De pallets waren gebruikt voor het vervoeren van frambozen uit Tanzania en werden op Schiphol gelost. Het openbaar ministerie stelde dat verdachte als invoerder had moeten controleren en ingrijpen.
Verdachte voerde aan slechts als afhandelaar van de luchtvaartmaatschappij te hebben gefungeerd en niet zelf de pallets te hebben ingevoerd. Het hof oordeelde dat invoer plaatsvindt op het moment dat de pallets Nederland binnenkomen, wat door de vervoerder is gedaan en niet door verdachte. De vertegenwoordiging van de luchtvaartmaatschappij door verdachte verandert hier niets aan.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs van het ten laste gelegde. De zaak benadrukt het belang van een juiste kwalificatie van invoer en de rol van verschillende partijen bij de douaneformaliteiten.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet is bewezen dat zij de houten pallets heeft ingevoerd.