Conclusie
Nummer19/05419
Het cassatieberoep
De middelen
eerste middelbehelst de klacht dat het bestreden arrest is gewezen door een economische kamer van het hof, terwijl de economische kamer onbevoegd was de zaak te behandelen en te beslissen.
tweede middelbehelst de klacht dat de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek een dertiental getuigen ‘à décharge’ te horen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
regiezitting gaat die bij uitstek voor dit soort zaken is geschikt en niet eerder de mogelijkheid bestond om deze verzoeken te doen, meent de verdediging dat in elk geval geen sprake is van verzoeken die “vexatious” zijn. Daar komt bij dat de verzoeken niet van ingewikkelde aard zijn. Het betreffen getuigen die niet in een eerder stadium hebben verklaard. U zal het dus sowieso moeten doen met de motivering die de verdediging kan geven op dit moment — en als die onvoldoende is om de evidente noodzakelijkheid in het licht van (in dit geval) art. 350 Sv Pro te geven, dan kunt u mij dat dus zonder meer tegenwerpen [5] en is het stadium van de verzoeken daar niet voor nodig.
- [betrokkene 2] , verblijvende in Panama, telefoonnummer: (…)
- [betrokkene 3] , verblijvende in Israel, telefoonnummer: (…), e- mail: (…)
relevant to the subject matter of the accusation”.
could arguably have strengthened the position of the defence or even led to the applicant’s acquittal”. Een reden om desalniettemin van toewijzing van deze verzoeken af te wijken ziet de verdediging niet (noodzakelijkerwijs) in.
(…)
overall fairnessvan de procedure in de zin van art. 6 EVRM Pro ondermijnt. Ter ondersteuning van deze stelling voert hij aan dat het juridisch kader voor de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen ‘à décharge’ als gevolg van de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM van 18 december 2018 in de zaak
Murtazaliyeva tegen Ruslandis gewijzigd. [7] In het licht van die uitspraak zou de afwijzende beslissing van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn.
Perna tegen Italiënaar voren kwamen, zijn (1) of de verdediging het verzoek heeft onderbouwd ten aanzien van de relevantie van het horen van de desbetreffende getuige voor de waarheidsvinding en (2) of de afwijzende beslissing van de nationale rechter de
overall fairnessvan de strafprocedure als geheel ondermijnde (par. 141 en par. 153). In de uitspraak in de zaak
Murtazaliyevaconstateert de Grote Kamer dat de wijze waarop de nationale rechter heeft beslist op het verzoek tot het oproepen van getuigen een zelfstandige en belangrijke plaats heeft verworven in het beoordelingskader van het EHRM. Dit acht de Grote Kamer in overeenstemming met zowel het uitgangspunt dat de nationale rechter het best is toegerust om het getuigenverzoek te beoordelen als met de beoogde terughoudende koers waarin alleen in uitzonderlijke gevallen de afwijzing van een verzoek tot het horen van ontlastende getuigen met art. 6 EVRM Pro onverenigbaar is (par. 154). In de aldus uiteengezette benadering zijn thans drie vragen van belang: (1) was het verzoek “sufficiently reasoned and relevant to the subject matter of the accusation”; (2) heeft de nationale rechter de relevantie van (het horen van) de getuige onderzocht en zijn afwijzende beslissing voldoende gemotiveerd; en (3) ondermijnt de afwijzende beslissing het recht op een eerlijk proces (par. 158).
overall fairnessvan het strafproces aantastte, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat de noodzaak om de verzochte getuigen te horen niet is gebleken, aangezien onvoldoende is onderbouwd dat de verklaringen van belang kunnen zijn voor enige door het hof te nemen beslissing. Het hof heeft bij de beoordeling aldus de juiste maatstaf aangelegd. In zijn oordeel dat het horen van de getuigen niet noodzakelijk is, ligt bovendien besloten dat naar het oordeel van het hof art. 6 EVRM Pro niet tot toewijzing van het verzoek noopt en aldus ook dat afwijzing van het verzoek de
overall fairnessvan de procedure geen geweld aandoet. [10]
overall fairnessgebruikt het Europese Hof als toetssteen bij zijn eigen beoordeling of de afwijzing van het getuigenverzoek een schending van art. 6 EVRM Pro oplevert.
derde middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de rechtsbijstand die de verdachte voorafgaand aan en tijdens haar politieverhoor in Spanje heeft gehad, voldeed aan de relevante eisen voor (adequate) consultatie- en verhoorbijstand van een advocaat, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
Articodat de aangewezen raadsman “may die, fall seriously ill, be prevented for a protracted period from acting, or shirk his duties”. [22] Indien de autoriteiten van een dergelijke omstandigheid op de hoogte raken, rust op hen een verantwoordelijkheid de raadsman te vervangen of hem zijn verplichtingen alsnog te doen vervullen. [23] Vaste rechtspraak van het EHRM is evenwel ook dat “a State cannot be held responsible for every shortcoming on the part of a lawyer appointed for legal-aid purposes. It follows from the independence of the legal profession from the State that the conduct of the defence is essentially a matter between the defendant and his counsel, whether appointed under a legal-aid scheme or privately financed.” Van de bevoegde nationale autoriteiten mag alleen worden verwacht dat zij ingrijpen, “if a failure by legal-aid counsel to provide effective representation is manifest or sufficiently brought to their attention in some other way”. [24] Trechsel stelt hierover dat de exacte reikwijdte van de verplichting van de Staat om de effectiviteit van de geboden rechtsbijstand te faciliteren niet evident is, maar dat “as a general rule the lawyer ought to take the initiative”. [25] In een wat ander verband heeft mijn ambtgenoot Harteveld over de hier besproken EHRM-rechtspraak opgemerkt dat de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte en zijn raadsman voor de gevoerde verdediging als uitgangspunt geldt en dat die verantwoordelijkheid slechts in uitzonderlijke situaties kan worden toegeschreven aan de Staat. [26] Daaraan voeg ik toe dat het ook tot de verantwoordelijkheid van de advocaat gerekend kan worden kenbaar te maken als hij zich in een concrete zaak niet in staat acht adequate rechtsbijstand te verlenen.
Stojkovic tegen België en Frankrijkwas dit aan de orde. België verleende rechtshulp aan Frankrijk door de in België gedetineerde Stojkovic te horen. Naar Frans recht kon Stojkovic worden aangemerkt als een ‘témoin assisté’, tegen wie een verdenking van een strafbaar feit bestond en die recht had op rechtsbijstand bij zijn verhoor. Bij het Belgische verhoor van Stojkovic was een Franse rechter-commissaris aanwezig. Stojkovic had naar het toen geldende Belgische recht evenwel geen recht op rechtsbijstand bij zijn verhoor. Zijn verzoek om bijstand van een (Franse) raadsman werd dan ook afgewezen. Het EHRM oordeelde onder meer dat ook als de beperking van het recht in kwestie aanvankelijk niet aan de Franse autoriteiten te wijten was, de Franse strafrechter niettemin verantwoordelijk was voor de eerlijkheid van de nadien in Frankrijk gevolgde strafprocedure als geheel en dus consequenties had moeten verbinden aan de gang van zaken in België. [28]
verzoekt. [29] In het kader van de herziening van de regeling internationale samenwerking in strafzaken in het Wetboek van Strafvordering, heeft de regering opgemerkt dat bij de
verleningvan Nederlandse rechtshulp in overeenstemming met art. 6 EVRM Pro moet worden gehandeld en dat mede daarom bij de uitvoering van die rechtshulp een belangrijk uitgangspunt is dat uitvoering van buitenlandse verzoeken niet anders plaatsvindt dan door toepassing te geven aan strafvorderlijke bevoegdheden, zoals die voor strafrechtelijk onderzoek in Nederland gelden. [30] Als voorbeeld noemt de memorie van toelichting dat een verdachte die in Nederland op basis van een buitenlands rechtshulpverzoek wordt verhoord ook bijstand dient te krijgen van een advocaat. Op grond van art. 37, eerste lid, Sv in samenhang met het genoemde uitgangspunt zal dat in beginsel een Nederlandse advocaat zijn. In de onderhavige zaak is de omgekeerde situatie aan de orde: de verdachte is in Spanje op basis van een Nederlands rechtshulpverzoek verhoord.
Stojkovic tegen België en Frankrijk. [31] In die zaak had de klager ten tijde van zijn Belgische politieverhoor wel uitdrukkelijk verzocht om een Franse advocaat. Het EHRM baseerde de constatering van een schending van art. 6 EVRM Pro echter erop dat het de klager ten tijde van zijn verhoor geheel aan rechtsbijstand had ontbroken. Uit het verzoek van Stojkovic om een Franse advocaat leidde het EHRM slechts af dat hij van zijn recht op rechtsbijstand geen afstand had gedaan. De onderhavige zaak verschilt in diverse opzichten van de zaak Stojkovic. Zo blijkt nergens uit dat de verdachte in de onderhavige zaak om bijstand door een Nederlandse raadsman heeft verzocht. In de zaak Stojkovic was wel om een Franse raadsman verzocht. Anders dan in de zaak Stojkovic, is de verdachte in de onderhavige zaak gewezen op het recht om zich te laten bijstaan door een advocaat en heeft zij van dit recht gebruikgemaakt.
Ibrahim e.a. tegen het Verenigd Koninkrijken
Beuze tegen Belgiëvalt geen steun te putten voor het betoog van de steller van het middel
.In het arrest in de zaak
Beuze tegen Belgiëheeft de Grote Kamer onder meer de grondslagen voor het recht op rechtsbijstand op een rij gezet. De steller van het middel citeert de overweging die inhoudt dat “the vulnerability of suspects may be amplified by increasingly complex legislation on criminal procedure, particularly with regard to the rules governing the gathering and use of evidence” (par. 126). Met deze overweging onderstreept de Grote Kamer dat in een steeds complexere juridische context het belang van het recht op rechtsbijstand is toegenomen. De gronden voor een recht op rechtsbijstand ziet de Grote Kamer onder meer erin dat “prompt access to a lawyer constitutes an important counterweight to the vulnerability of suspects in police custody”. Die toegang tot een raadsman “provides a fundamental safeguard against coercion and ill-treatment of suspects by the police”, aldus het Europese Hof. Het EHRM beschouwt als een van de voornaamste taken van de raadsman in deze fase dan ook dat hij het recht van de verdachte zichzelf niet te belasten waarborgt. [32]
vierde middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de witgewassen geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
vijfde middelbevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte niet wist dat de in de tenlastelegging vermelde contante geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid.
zesde middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.