ECLI:NL:GHAMS:2021:61

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2021
Publicatiedatum
19 januari 2021
Zaaknummer
23-004022-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 246 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanranding en mishandeling met aangepaste strafoplegging

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is het gerechtshof Amsterdam op 19 januari 2021 tot arrest gekomen. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling van een onbekende vrouw die hem hielp bij het vinden van de weg. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van deze feiten.

De politierechter had een taakstraf van 100 uur opgelegd, subsidiair 50 dagen hechtenis, deels voorwaardelijk. De advocaat-generaal vorderde een lagere straf. Het hof vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en legde een taakstraf van 50 uur op, zonder voorwaardelijk deel, gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte.

Het hof nam mee dat de verdachte eerder onherroepelijk was veroordeeld, maar dat deze bestraffing relatief lang geleden was en dat de verdachte zijn leven de laatste tien jaar op orde heeft. De opgelegde straf is passend en geboden om de gevoelens van onveiligheid in de nachtelijke uren te adresseren.

De wettelijke grondslag voor de straf is gevonden in de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 246 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Taakstraf van 50 uur opgelegd zonder voorwaardelijk deel, bevestiging bewezenverklaring aanranding en mishandeling.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004022-19
datum uitspraak: 19 januari 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-177407-19 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de hoogte van de op te leggen straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, subsidiair 50 (vijftig) dagen hechtenis, waarvan 50 (vijftig) uren, subsidiair 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren subsidiair 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling van een hem onbekende vrouw, die hem hielp bij het vinden van de weg, door deze vrouw onverhoeds te zoenen en, nadat zij hem in reactie daarop sloeg, tegen een been te schoppen. De verdachte heeft hiermee gevoelens van onrust en onveiligheid op straat in de nachtelijke uren versterkt, ook bij anderen dan bij aangeefster.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 december 2020 is hij meermalen eerder, zij het betrekkelijk lang geleden, onherroepelijk veroordeeld.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het gelet op de persoonlijk omstandigheden van de verdachte niet opportuun is een voorwaardelijk deel van de taakstraf op te leggen. De verdachte heeft ter terechtzitting aannemelijk gemaakt dat hij zijn leven sinds tien jaren in toenemende mate op orde heeft en dat de ten laste gelegde feiten een eenmalig incident betroffen. Uit voormeld uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat de meest recente bestraffing van de verdachte dateert van 2013.
Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 246 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de op te leggen straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van
mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 januari 2021.