In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is het gerechtshof Amsterdam op 19 januari 2021 tot arrest gekomen. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling van een onbekende vrouw die hem hielp bij het vinden van de weg. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van deze feiten.
De politierechter had een taakstraf van 100 uur opgelegd, subsidiair 50 dagen hechtenis, deels voorwaardelijk. De advocaat-generaal vorderde een lagere straf. Het hof vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en legde een taakstraf van 50 uur op, zonder voorwaardelijk deel, gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte.
Het hof nam mee dat de verdachte eerder onherroepelijk was veroordeeld, maar dat deze bestraffing relatief lang geleden was en dat de verdachte zijn leven de laatste tien jaar op orde heeft. De opgelegde straf is passend en geboden om de gevoelens van onveiligheid in de nachtelijke uren te adresseren.
De wettelijke grondslag voor de straf is gevonden in de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 246 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.