Uitspraak
Wat is een afbeelding van een seksuele gedraging als bedoeld in artikel 240b Sr?
Mag bij de kwalificatie van de te beoordelen afbeeldingen en films als strafbare (virtuele) kinderporno belang worden gehecht aan de seksuele voorkeur van de verdachte?
Maakt het uit of de afgebeelde persoon in werkelijkheid meerderjarig was ten tijde van het maken van de afbeelding?
Wanneer is er sprake van virtuele kinderpornografie?
- het betreffende virtuele beeldmateriaal een seksuele gedraging afbeeldt, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, en
- er geen sprake is van de situatie dat aanstonds duidelijk is dat het gaat om gemanipuleerde afbeeldingen, en
- de afbeelding een zodanig realiteitsgehalte heeft dat deze niet van echt is te onderscheiden.
.
1.Het ‘verspreiden’ als ten laste gelegd in feit 1
2.Het ‘vervaardigen’ als ten laste gelegd in feiten 2 en 3
3.Het ‘een gewoonte maken van’ als ten laste gelegd in feit 1, 2 en 3
4.Initialen, ‘jongen’ of ‘jonge man’, feit 1, 2 en 3
5.Feit 1, nummers 43 en 50
[bestandsnaam 43] (p. 774)) en afbeelding met nummer 50,
[bestandsnaam 50] (p. 776)) boven de achttien jaar zijn en dat het materiaal afkomstig is van een legale site.
6.Feiten 2 en 3, virtuele kinderporno
7.Feit 3, film nummer 2 ( [bestandsnaam 190] (p. 586))
8.Feit 3, film nummer 3 ( [bestandsnaam 191] (p. 587/588))
Feit 3, bewezenverklaarde film nummer 11 ( [bestandsnaam 200] (p. 778))
10.Feit 3, bewezenverklaarde film nummer 13 ( [bestandsnaam 202] (p.779))
1.Geen strafbaar feit door wijze van ten laste leggen
2.Het enkele bezit van zelf vervaardigde virtuele kinderporno
Het wetsvoorstel steunt onder meer op de grond dat het in omloop brengen van virtuele kinderporno schadelijk kan zijn voor kinderen. Er zijn omstandigheden denkbaar waarin die schade ontbreekt. Men kan daarbij denken aan de situatie dat een persoon in zijn privé-omgeving met behulp van een computer voor eigen gebruik en bezit virtuele kinderporno schept en bij de vervaardiging ervan geen gebruik heeft gemaakt van kinderpornografisch materiaal. Dat zijn gevallen waarop de in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van het ontwerp kaderbesluit ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie neergelegde optionele strafuitsluitingsgrond ziet. Als deze gevallen al aan het licht komen, meen ik dat strafrechtelijk optreden achterwege kan blijven. Alsdan moet naar mijn oordeel het recht op eerbiediging van levenssfeer voorgaan.”
Het kaderbesluit zal naar verwachting tevens voorzien in de mogelijkheid van strafuitsluiting wanneer vaststaat dat de vervaardiging en het daarop volgende bezit van virtuele kinderporno geschieden uitsluitend voor eigen gebruik van de vervaardiger.
Voorgesteld wordt de verhoging van de leeftijdsgrens van toepassing te doen zijn op alle in artikel 240b Sr. genoemde gedragingen. Dat betekent dat ook de vervaardiging en het bezit (voor eigen gebruik) van een afbeelding van een sexuele gedraging waarbij een persoon van 16 of 17 jaar is betrokken of schijnbaar is betrokken, strafbaar worden.”
Het gaat niet om de vervaardiging van een kunstwerk. Daartoe bestaat alle vrijheid. Het gaat om de vervaardiging van een afbeelding die een seksuele gedraging van een kind in het echt beoogt weer te geven. Daartoe dient geen vrijheid te bestaan."
De strafbaarstelling van virtuele kinderporno vult de reeds bestaande strafbaarstelling van echte kinderporno aan. Virtuele kinderporno is niet van echte kinderporno te onderscheiden en heeft ook niet de bedoeling zich daarvan te onderscheiden. De rechtvaardiging voor de strafbaarstelling van virtuele kinderporno is gelegen in de wenselijkheid dat niet langer het bewijs behoeft te worden geleverd dat echte kinderen voor de vervaardiging van kinderporno zijn gebruikt. Dat bewijs is immers aan de hand van het beschikbare beeldmateriaal niet te leveren. Daarnaast is de rechtvaardiging gelegen in de bescherming van kinderen tegen gedrag dat kan worden gebruikt om hen aan te moedigen of te verleiden om deel te nemen aan seksueel verkeer, of tegen gedrag dat deel kan gaan uitmaken van een subcultuur die seksueel misbruik van kinderen bevordert.
2.6.1. De Hoge Raad tekent hierbij aan dat, mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis, moet worden aangenomen dat art. 240b Sr te ruim is geredigeerd, in die zin dat deze bepaling ook gevallen bestrijkt waarin volgens de wetgeschiedenis strafrechtelijke aansprakelijkstelling achterwege kan of dient te blijven. Relevante factoren voor het bepalen van dergelijke gevallen zouden daarbij in het bijzonder zijn de concrete gedraging van de verdachte, de leeftijd van de betrokkenen, de instemming van de betrokkenen en het ontbreken van enige aanwijzing voor een risico van verspreiding van de afbeelding(en) onder anderen dan de betrokkenen. Deze gevallen zouden in de - bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel niet weersproken - visie van de Minister nader moeten worden omschreven in de Aanwijzing kinderpornografie. Geen van de elkaar opvolgende Aanwijzingen kinderpornografie bevat evenwel enige omschrijving in die zin. Een verdachte die wordt vervolgd ter zake van het misdrijf van art. 240b Sr, kan zich derhalve niet met vrucht beroepen op die Aanwijzing. Daardoor laat zich nog sterker het gemis voelen dat de wetgever niet zelf art. 240b Sr zo heeft geformuleerd dat het zich niet uitstrekt over gevallen waarin naar zijn opvatting strafrechtelijke aansprakelijkstelling achterwege behoort te blijven.
- Een onrechtmatige en disproportionele inbreuk op het privéleven van de verdachte door onzorgvuldig en nalatig handelen van het openbaar ministerie en politie;
- Schending van de geheimhoudingsplicht door de politie door het delen van onderzoeksbevindingen met derden en leerlingen (inbreuk op artikel 8 EVRM Pro);
- Schending van de verbaliseringsplicht (artikel 152 Sv Pro);
- Overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM Pro;
- Ontijdige inzage in de (nieuwe) toonmap hetgeen een vormverzuim ex artikel 359a Sv oplevert.
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.