ECLI:NL:GHAMS:2021:719
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens schending beginselen behoorlijke procesorde bij vervolging luchtvaartmaatschappij
In deze strafzaak is een luchtvaartmaatschappij vervolgd wegens overtreding van artikel 4 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij een vreemdeling zonder het vereiste visum naar Nederland heeft vervoerd. De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, omdat een andere luchtvaartmaatschappij een Memorandum of Understanding (MoU) had afgesloten met de Staat waardoor zij minder snel werd vervolgd.
Het hof onderzocht de standpunten en concludeerde dat het openbaar ministerie onrechtvaardig en willekeurig handelde door de verdachte wel te vervolgen terwijl andere maatschappijen onder vergelijkbare omstandigheden niet werden vervolgd. Er was onvoldoende gebleken dat de verdachte zelf iets had gedaan om een MoU af te sluiten en ook de Staat had geen serieuze inspanningen geleverd om met andere maatschappijen vergelijkbare afspraken te maken.
Het hof oordeelde dat het vervolgingsbeleid in strijd was met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Daarom werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de luchtvaartmaatschappij.
Het arrest benadrukt het belang van gelijke behandeling in strafvervolging en dat afwijkingen in beleid moeten worden gerechtvaardigd en transparant zijn. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en deed opnieuw recht door het OM niet-ontvankelijk te verklaren.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens schending van beginselen van een behoorlijke procesorde.