ECLI:NL:GHAMS:2021:826

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 maart 2021
Publicatiedatum
23 maart 2021
Zaaknummer
23-000674-19.a
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs mishandeling

In hoger beroep is de verdachte vrijgesproken van mishandeling van de benadeelde op 10 februari 2017 te Amsterdam. De politierechter had de verdachte eerder veroordeeld, maar het hof vernietigde dit vonnis omdat het bewijs onvoldoende was om de schuld van de verdachte met de vereiste mate van zekerheid vast te stellen.

De verklaringen van ooggetuigen beschreven de dader als een man met een lengte tussen 1.80 en 1.85 meter, een slungelig of mager postuur, blond haar en een Marokkaans accent in zijn straattaal. De verdachte is echter ongeveer 1.98 meter lang, heeft een breed postuur, donkerblond of bruin haar en spreekt met een Noord-Hollands accent. Deze discrepanties in fysieke kenmerken en taalgebruik overtuigden het hof dat de verdachte niet de dader kon zijn.

De benadeelde had een schadevergoeding van €601,64 plus wettelijke rente gevorderd, welke in eerste aanleg was toegewezen. Nu de verdachte is vrijgesproken, verklaarde het hof de benadeelde niet-ontvankelijk in deze vordering. Beide partijen dragen hun eigen kosten.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 9 maart 2021.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000674-19
datum uitspraak: 9 maart 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer
13-102250-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
3 november 2020 en 9 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 10 februari 2017, te Amsterdam, [benadeelde] heeft mishandeld door deze bij zijn keel te grijpen en/of meermalen in zijn gezicht te slaan en/of te stompen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Uit de verklaringen van de ooggetuigen in deze zaak komt als eenduidig beeld van de dader van het op 10 februari 2017 jegens de aangever [benadeelde] gepleegde geweld naar voren dat van een man met een lengte van 1.80 tot 1.85 meter, een slungelig/mager postuur en blond haar, die zich bediende van straattaal/Amsterdams met een Marokkaans accent. Op de terechtzittingen in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de verdachte ongeveer 1.98 meter lang is, een breed postuur heeft, niet als mager is te bestempelen, een donkerblonde dan wel bruine haarkleur heeft en spreekt met een Noord-Hollands accent. Die kenmerken van de verdachte komen dus niet overeen met die van de dader. Bij die stand van zaken is het hof, anders dan de politierechter, maar met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte, van oordeel dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is komen vast te staan dat de verdachte degene is geweest die het tenlastegelegde heeft begaan. Om die reden zal hij daarvan worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter zake van het ten laste gelegde. Deze bedraagt € 601,64, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, zodat de gehele vordering in hoger beroep opnieuw aan de orde is.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van
mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
9 maart 2021.