In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Amsterdam inzake mishandeling is het vonnis grotendeels bevestigd. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende bewijs van causaal verband voor materiële schade.
Het hof vernietigt dat deel van het vonnis en oordeelt dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De omvang van de immateriële schade wordt op billijke wijze vastgesteld op €400,00, rekening houdend met de aard en ernst van de aantasting van de persoonlijke integriteit.
De vordering voor materiële schade en overige kosten wordt niet toegewezen wegens gebrek aan bewijs en onevenredige belasting van het strafproces. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten van €622,00. De wettelijke rente wordt vastgesteld vanaf 20 juli 2018.
Het hof legt tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalt een maximale gijzelingstermijn van acht dagen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting. Het vonnis wordt verder bevestigd.