Op 19 juni 2020 bedreigde de verdachte het slachtoffer bij de ingang van een zorginstelling met een scherp voorwerp, waarbij hij zwaaiende bewegingen richting het gezicht van het slachtoffer maakte. Het hof acht deze bedreiging wettig en overtuigend bewezen op basis van aangifte, getuigenverklaringen en het aantreffen van een snijblad ter plaatse.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat sprake was van noodweer omdat het slachtoffer hem zou hebben bedreigd met sleutels en een afgebroken flesje. Het hof verwierp dit verweer, omdat dit niet werd ondersteund door camerabeelden of getuigenverklaringen, en concludeerde dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
De politierechter legde een gevangenisstraf van drie weken op. Het hof hield rekening met de psychische problematiek van de verdachte, diens gedwongen opname en het traject van begeleiding, en legde daarom een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken op met een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast wees het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke gevangenisstraffen af, mede vanwege de lopende gedwongen opname en de positieve ontwikkelingen in de behandeling van de verdachte.
Het arrest werd uitgesproken op 20 januari 2021 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.