Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2022:1047

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 april 2022
Publicatiedatum
10 april 2022
Zaaknummer
23-002089-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 422 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal lokportemonnee in Amsterdam

Op 23 juni 2021 plaatste de politie in het centrum van Amsterdam een loktas met daarin een portemonnee met valse biljetten. De verdachte en een medeverdachte benaderden de tas, waarbij de medeverdachte de portemonnee uit de tas haalde. De gedragingen van de verdachte, waaronder het spiedende gedrag en het ontvangen van geld van de medeverdachte, wezen op nauwe samenwerking bij de diefstal.

De verdediging stelde dat de verdachte niet als medepleger kon worden aangemerkt, maar het hof verwierp dit verweer op basis van de feiten en omstandigheden. Het hof achtte bewezen dat de verdachte samen met een ander de portemonnee met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen.

De politierechter had de verdachte veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf, maar het hof stelde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden vast, gelet op de ernst van het feit en de overlast van zakkenrollerij in Amsterdam. De tijd van voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij het bewezenverklaarde werd beperkt tot medeplegen diefstal van de portemonnee. De verdachte werd veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voor medeplegen diefstal van een lokportemonnee.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002089-21
datum uitspraak: 6 april 2022
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2021 in de strafzaak onder parketnummer
13-165676-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Door de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 23 juni 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee (met 200 euro) in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [verbalisant 1] (hoofdagent werkzaam bij politie eenheid Amsterdam), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier de verdachte niet als medepleger van de diefstal van de portemonnee kan worden aangemerkt.
Het hof stelt het volgende vast.
Op 23 juni 2021 heeft de politie in het centrum van Amsterdam een loktas geplaatst, met daarin een portemonnee met 4 (valse) briefjes van 50 euro. Verbalisant [verbalisant 1] is in de nabijheid van die loktas gaan staan en deed alsof hij een telefoongesprek voerde. Drie andere verbalisanten hielden de omgeving in de gaten.
Verbalisant [verbalisant 2] stond tegenover [verbalisant 1] en had zicht op de tas. Hij zag van 50 meter afstand twee mannen aan komen lopen. Hij zag dat ze in gesprek waren. Deze twee mannen bleken later te zijn de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. [verbalisant 2] zag dat de verdachte en [medeverdachte] de tas naderden, elkaar aankeken en naar de tas keken. Vervolgens keek de verdachte plotseling achterom en keek hij, volgens de verbalisant, ‘spichtig’ om zich heen. [medeverdachte] keerde weg van de verdachte en liep in de richting van de tas, bukte bij de tas en haalde uit de tas de portemonnee. Vervolgens liepen de verdachte en [medeverdachte] weer naar elkaar toe en vervolgden samen hun weg, terwijl ze beiden met regelmaat omkeken. [verbalisant 2] volgde de verdachte en [medeverdachte] en zag hen even later stilstaan terwijl ze de portemonnee bekeken. Verbalisant [verbalisant 1] fietste ook langs en zag dat [medeverdachte] eurobiljetten in zijn hand hield en daarvan twee biljetten aan de verdachte gaf. Beide mannen deden het geld in hun broekzak en vervolgden hun weg. De portemonnee bleek te zijn gedumpt in de bosjes op de plek waar de verdachten stonden.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarvan is in casu sprake gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden. Uit het bovenstaande volgt dat de verdachte betrokken was bij de diefstal van de portemonnee. Gelet op het gedrag van de verdachte voor, tijdens en na het wegnemen van de portemonnee hecht het hof geen geloof aan zijn verklaring, dat hij dacht dat [medeverdachte] hem eigen geld leende. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 23 juni 2021 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een portemonnee die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Door of namens de verdachte is geen strafmaatverweer gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal uit een tas. Omdat inwoners en bezoekers van Amsterdam bovenmatig veel last ondervinden van zakkenrollerij en soortgelijke diefstallen en het opleggen van een taakstraf daarvoor als te weinig afschrikwekkend wordt beschouwd, neemt het gerechtshof bij first offenders een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden als uitgangspunt bij een voltooid delict. In de (summier bekende) persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 311 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. S.M.M. Bordenga en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 april 2022.