Op 23 juni 2021 plaatste de politie in het centrum van Amsterdam een loktas met daarin een portemonnee met valse biljetten. De verdachte en een medeverdachte benaderden de tas, waarbij de medeverdachte de portemonnee uit de tas haalde. De gedragingen van de verdachte, waaronder het spiedende gedrag en het ontvangen van geld van de medeverdachte, wezen op nauwe samenwerking bij de diefstal.
De verdediging stelde dat de verdachte niet als medepleger kon worden aangemerkt, maar het hof verwierp dit verweer op basis van de feiten en omstandigheden. Het hof achtte bewezen dat de verdachte samen met een ander de portemonnee met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen.
De politierechter had de verdachte veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf, maar het hof stelde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden vast, gelet op de ernst van het feit en de overlast van zakkenrollerij in Amsterdam. De tijd van voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij het bewezenverklaarde werd beperkt tot medeplegen diefstal van de portemonnee. De verdachte werd veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.