Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Verder verloop van het geding in hoger beroep
handelsrente over voormeld bedrag zal toewijzen vanaf 1 januari 2016, althans een andere in goede justitie te bepalen datum, niet later dan 12 september 2019, alles met beslissing over de proceskosten.
2.Feiten
met grief 1 in het principale hoger beroepdat de rechtbank de feiten onvolledig heeft vastgesteld, maar de rechtbank was niet gehouden alle vaststaande feiten te vermelden. De grief treft daarom geen doel. Niettemin zal het hof in het navolgende (vanzelfsprekend) rekening houden met alles wat [appellant] (en ook alles wat [geïntimeerde] ) heeft aangevoerd.
lumpsumbedragen. Ook derden deden dat wel. [geïntimeerde] specificeerde op stukken met het opschrift ‘factuur’ wat (volgens hem) de daadwerkelijk door hem gemaakte en [appellant] in rekening te brengen kosten waren. [geïntimeerde] heeft een en ander in een overzicht verwerkt dat hij in eerste aanleg als productie 3 bij akte houdende producties en in hoger beroep als productie 3 bij memorie van antwoord/grieven heeft overgelegd (hierna: het kolommenoverzicht). Dit overzicht sluit (per 7 oktober 2015) op een voor [appellant] negatief saldo van € 43.751,03.
3.Beoordeling
handelsrente over de toegewezen hoofdsom, alsmede een andere ingangsdatum van die rente dan de rechtbank heeft bepaald.
grieven 3 en 4 in het principale hoger beroepzijn gericht tegen de weergave van het verweer van [appellant] in verband met het pandrecht van Swishfund Finance B.V. (verder: Swishfund) op de vorderingen van [geïntimeerde] en de verwerping van dat verweer door de rechtbank (in overweging 3.2 respectievelijk 4.2 van het bestreden vonnis). Bij een behandeling van deze grieven heeft [appellant] geen belang omdat [geïntimeerde] in ieder geval thans tot inning van de onderhavige vordering bevoegd is. [geïntimeerde] heeft namelijk bij memorie van antwoord/grieven gesteld, zakelijk, dat het pandrecht van Swishfund is geëindigd en ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] dit bij monde van zijn advocaat erkend.
grief 5 in het principale hoger beroep, gericht tegen overweging 4.3 van het bestreden vonnis, komt [appellant] op tegen de verwerping door de rechtbank van het door hem in eerste aanleg gevoerde verweer dat de vordering met betrekking tot het jaar 2013 op grond van artikel 3:310 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is verjaard en met
grief 2 in dat beroeptegen de wijze waarop de rechtbank in overweging 3.1 de in dit verband relevante stellingen van [geïntimeerde] heeft uitgelegd.
Op de vraag van de rechtbank of ik de verantwoordingen (kostenoverzichten) heb ontvangen van [geïntimeerde] , antwoord ik dat ik niet begrijp over welke facturen het gaat. De nota’s die onder kolom 5 in het overzicht[het kolommenoverzicht; hof]
staan, heb ik nooit ontvangen. Ik heb wel voorschotnota’s ontvangen, aan de hand waarvan ik betalingen verrichtte. Het klopt dat er onenigheid is geweest omdat de facturen die onder kolom 5 staan, afweken van de voorschotnota’s. We hebben hier mondeling over gesproken in Genk. [geïntimeerde] heeft bij die gesprekken niet verwezen naar de verantwoordingen (kostenoverzichten).”
grief 8 in het principale hoger beroep, welke inhoudt dat de rechtbank ten onrechte in overweging 4.7 van het bestreden vonnis heeft geoordeeld, kort gezegd, dat [appellant] in verzuim is, heeft [appellant] geen belang. Immers, het al dan niet in verzuim verkeren is in het kader van een vordering tot nakoming niet relevant en de rechtbank heeft de wettelijke rente slechts toegewezen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, 12 september 2019. Dat [appellant] in ieder geval vanaf die dag in verzuim was, behoeft geen betoog.
grief 9 in het principale hoger beroepkomt [appellant] op tegen overweging 4.8 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] in elk geval voor een deel betaling heeft gevorderd van de facturen exclusief btw, terwijl die bedragen inclusief btw aan [appellant] in rekening zijn gebracht en dat het er dan ook feitelijk op neerkomt dat de berekening van de vordering door [geïntimeerde] in het voordeel van [appellant] is ( [geïntimeerde] heeft minder gevorderd).
incidentele grief(eisvermeerdering) houdt in dat [appellant] niet de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, maar de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd is.