Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 juli 2019 vernietigd in een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. De betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2011. Het hof beperkte de ontneming tot de periode van 1 juli 2010 tot en met 28 november 2011, omdat het ontnemingsrapport zich uitsluitend richtte op de hennepstekken die vanaf de zomer van 2010 werden geteeld.
Het hof berekende het wederrechtelijk verkregen voordeel op €111.024,00 per betrokkene, uitgaande van 16 voltooide kweken, een totale voorraad van 34.695 stekken en een cyclus van 10 werkdagen. Er werd rekening gehouden met een gelijke verdeling van de opbrengst over vijf betrokkenen. Gezien de financiële situatie van de betrokkene en de overschrijding van de redelijke termijn matigde het hof de betalingsverplichting tot €17.838,29, gelijk aan de waarde van in beslag genomen goederen plus vervolgprofijt.
De betrokkene werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, met verrekening van de conservatoir beslagen gelden en goederen. De duur van een eventueel te vorderen gijzeling werd vastgesteld op nul dagen. Dit arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 12 april 2022.