In deze zaak stond de verdachte terecht voor twee overtredingen van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd in september 2020 te Hoofddorp. Het hof behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 14 september 2021.
Het gerechtshof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, waarvan de uitvoering werd opgeschort met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd een taakstraf van dertig uur en vijftien dagen hechtenis opgelegd. Tevens werd een in beslag genomen personenauto verbeurd verklaard, met een uitbetaling van €1500,- aan de verdachte uit de netto-opbrengst.
De strafrechtelijke kwalificatie betrof telkens overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof bepaalde dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt. De uitspraak werd gewezen door rechter N.A. Schimmel.