De vader verzocht het gerechtshof om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind toe te kennen en een omgangsregeling vast te stellen. De moeder betwijfelde het vertrouwen in de vader vanwege zijn verborgen drugsgebruik en het niet nakomen van toezeggingen om drugstesten te ondergaan.
Het hof stelde de vader in de tussenbeschikking in de gelegenheid om drie drugstesten te ondergaan, waaruit bleek dat hij cannabinoïden gebruikte, maar geen harddrugs. De moeder erkende dit, maar bleef terughoudend ten aanzien van overnachtingen vanwege het ontbreken van vertrouwen en constructieve communicatie.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van vertrouwen en de verstoorde communicatie een gezamenlijk gezag op dit moment onwenselijk maken. Daarom werd het verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen. Wel werd een opbouwende omgangsregeling vastgesteld, waarbij de omgang geleidelijk wordt uitgebreid, met een evaluatie na verloop van tijd.