De betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor hennepteelt, diefstal van elektriciteit en het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep. De politierechter legde een ontnemingsmaatregel op van €30.000. De betrokkene stelde hoger beroep in tegen zowel de straf- als de ontnemingsvonnissen.
Het hof nam kennis van het dossier, de pleidooien en het ontnemingsrapport waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend. Uit het onderzoek bleek dat op 23 januari 2017 drie professionele hennepkwekerijen waren aangetroffen in en bij de woning van de betrokkene, waarbij sporen wezen op ten minste één eerdere oogst. De verdediging stelde dat er geen eerdere oogst was en gebruikte materialen van de vader van de betrokkene, maar dit werd door het hof verworpen op basis van getuigenverklaringen en forensische aanwijzingen.
Het hof schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel op €42.289,96, verminderd met een elektriciteitsrekening van €3.252,34, hetgeen resulteerde in een ontnemingsbedrag van €39.037,62. Hoewel de redelijke termijn was overschreden, matigde het hof de straf maar niet de ontnemingsmaatregel. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof legde de ontnemingsverplichting van €39.037,62 op aan de betrokkene.