Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Tenlastelegging
Vonnis waarvan beroep
Vordering van het openbaar ministerie
Feit 2 primair en subsidiair – art. 343 onder Pro 1 en 3 Sr (oud)
[BV 3] - opheffen [BV 3]
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam in een strafzaak betreffende faillissementsfraude door de bestuurder van een failliete B.V. De verdachte werd ervan beschuldigd geldbedragen onttrokken te hebben aan de boedel van de failliete vennootschap ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers.
Het openbaar ministerie stelde dat uit een aangetroffen plan bleek dat de verdachte vooropgezet had de vennootschap failliet te laten gaan en dat de administratief geboekte leningen slechts een dekmantel waren om gelden te onttrekken. De verdediging betoogde dat het plan geen opzet op faillissement aantoonde en dat het faillissement niet onvermijdelijk was op het moment van de betalingen.
Het hof oordeelde dat het plan onvoldoende bewijs leverde voor (voorwaardelijk) opzet op faillissement en benadeling van schuldeisers. Termen als 'opheffen' werden begrepen als 'liquideren' en niet als faillietverklaring. Ook ontbrak bewijs dat het faillissement niet meer voorkomen kon worden. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door de verdachte vrij te spreken wegens gebrek aan bewijs van het strafbare feit van faillissementsfraude zoals omschreven in artikel 343 Sr Pro (oud).
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van faillissementsfraude.